URK
Over Jan de Marker, die een Urker was en kunstige knipsels met de
schaar placht te maken en daar zinrijke spreuken in verwerkte, alsmede
verzen van zijn eigen maaksel, die wezenlijk de moeite waard waren,
en hoe een begrafenis een merkwaardige zekerheid verschafte betreffende
de ouderdom van sommige ceremoniële costuums, die op de 16e eeuw terug
blijken te grijpen.
Het is treurig, maar waar. Dikwijls heb ik mezelf erop betrapt, dat
ik na het herhaald en aandachtig bekijken van ietwat gedetailleerde
prenten eigenlijk niet zo heel veel wijzer word. Natuurlijk weet je
dan wel zo'n beetje wat er op staat, maar een duidelijk verband met
de afgebeelde dingen krijg je toch pas als de toegespitste aandacht
ergens een aangrijpingspunt heeft gevonden. De algemene, goedwillende
belangstelling maakt eigenlijk halt voor het gladde front van zo'n blad,
kijkt er met een zekere passieve argeloosheid tegenaan en blijft tenslotte
net zo wijs als tevoren.
Precies zo gaat het vermoedelijk in een museum ook. Je staat er met
een soort kunstzinnige honger tegen de uitgestalde "kunstvoorwerpen"
aan te duwen met je aandacht, maar het enige resultaat is gewoonlijk
een gevoel van onbevredigde oververzadiging en afgematheid, wat waarlijk
geen wonder mag heten, wanneer je bedenkt, dat hier topprestaties van
het edelste kunstenaarschap hun geladen vibraties op je afstralen.
Bewustzijnsinhouden als die, waaronder een Van Gogh geestelijk bezweek
en die een Rembrandt voor de consequenties van een onbegrepen en eenzame
ouderdom stelden, dreunen er van de wanden op je neer, alsof je, zo'n
Zondagmiddag langs de schilderijen slenterend, zonder dat je het merkt
als het ware van de ene hoogtezon in de andere stapt. Eigenlijk is het
nog een wonder, dat je er heelhuids uitkomt.
Toen ik eenmaal studieus begon te letten op bepaalde dingen (die evenwel
rechtstreeks heel weinig met de artistieke waarde te maken hadden) in
de schilderijen aan de museumwanden, (het ging er n.l. om of de mutsen
op de XVIIe eeuwse portretten ál dan niet verstevigd en bevestigd op
de kop zaten met behulp van een "oorijzer", was het alsof de aandacht
door een achterdeurtje binnensluipend, toegang gekregen tot die wereld
achter het gladde, amberkleurige vernis en zich, vondst op ontdekking
en opmerking op bewondering stapelend, een heel intiem rapport met zo'n
kunstwerk ontwikkelde. Daardoor kreeg je er op een bepaalde manier innerlijk
deel aan, inplaats van er met ietwat blasé blikken langs te passiveren,
hard op weg om »verstand van schilderijen" te krijgen.
Met mijn folklore-prenten ging het eigenlijk net zo. Het is zo lastig
dat je de poppetjes op zo'n blad niet kunt beetpakken en omdraaien.
Dan was je een heel eind verder. Je ziet dan bijvoorbeeld een plooienval
om een hoekje verdwijnen, net op het moment waarop je een belangrijke
(Alles is betrekkelijk in deze wereld.) waarneming zou hebben kunnen
doen. Als de vent of het wijfje nu maar een arm zou kunnen oplichten,
of zich omdraaien, dan had je ineens de veelbegeerde zekerheid. Maar
de arm is voorgoed onbeweeglijk en hun rug zal door geen mens, nu noch
ooit, aanschouwd worden, dus zucht je diep en bent even wijs gebleven
en vraagt je nog steeds af, of die donkere streep onder de arm een naad
is of een schaduw.
Maar één levende Urker op het Damrak sloeg alle prentenkennis knock-out
en maakte het verlangen wakker om naar die kleine samenleving toe te
gaan, waar de vent thuis hoorde, met zijn zwarte vilthoedje en zijn
kleren van scharlakenrood, wit en diepzwart, met zijn wijde, halflange
broek en zijn opengewerkte kousen. Een afzonderlijk type, kantig en
helder, die Urkers, dat moest de moeite waard zijn.
En het was de moeite waard. Over Kampen er naar toe, omdat het zo beter
uitkwam. Het kon destijds over Enkhuizen ook, omdat het bootje Kampen-Enkhuizen
vice-versa voer en daarbij Urk aandeed. Een klein kittig ding, dat bootje.
Langs de rietoevers van het Keteldiep, waar op hekken en hoge punten
aalscholvers Japanse gezichten zaten te trekken, naar het open water,
waar een vinnige deining in zat. Maar de reis duurde net niet lang genoeg
om pleizierig zeeziek te worden, dus was deze animerende watergesteldheid
niet aan ons besteed.
Christoffel Columbus zag op een van de weinige goede dagen tijdens zijn
hachelijke reis, plantendelen drijven en maakte daaruit op, dat er een
kust niet ver meer af kon zijn. Als we het eiland al niet lang hadden
zien liggen, zouden we hetzelfde hebben mogen constateren aan een ouwerwetse
rieten "vuurmand", die als een mager soort boei op en neer stond te
deinen in het zilte nat en naar ik later vernam, door een balorige Urkerse
in zee was geslingerd van een vooruitgeschoven punt aan de haven, die
ons met uitgestrekte armen opwachtte.
Ze zijn niet meer in gebruik, die vuurmanden en met schommelwiegen,
dotjes, cornetmutsen en baker in onbruik geraakt. Ik had liet rieten
geval, dat behoort te prijken met een hoes van mooie mos-groene gebloemde
saai en waarop bij de zachte gloed van een test met kolen niet alleen
de voetjes van een boreling, maar ook zijn schone lijfgoedje aangewarmd
plachten te worden, gaarne in de wacht gesleept voor het museum, maar
moest het onder deze omstandigheden verloren geven op de ongewisse baren....
Het aankomen van de boot is een gebeurtenis in de Urker dag, dat merkte
je duidelijk. Gezellig kwebbelende groepjes hielden zich bij de steiger
op, kennelijk alleen om rustig te kunnen zien, wie er kwamen en weggingen
en zodoende stof voor een dag conversatie te verzamelen.
Hier stond ik opnieuw voor een onbekend gebied, met onbekende mensen,
lieden met mij onbekende eigenaardigheden, die je te ontzien had, maar
die op hun beurt wellicht buitengewoon goed te pas konden komen.
Het leek maar het beste om meteen voor onderdak te zorgen. Ver hoefde
je daarvoor niet te lopen, want een waranda, die met forse letters kogelflesjes
en Fosco aanprees boven aan het haven-emplacementje, verried, dat daar
een gelegenheid te vinden was, waar je je "verfrissen" kon en waar niet
onwaarschijnlijk nachtverblijf te vinden zou zijn, tevens, gezien Urk
een geliefde pleisterplaats is voor watertouristen en men, gewoonlijk
dáár hengelt, waar de visjes zwemmen.
Goed geschoten. Man en vrouw raszuivere Urkers. Vrouw in dracht, man
en twee zoons niet meer. Gelegenheid voor nachtlogies en bij langer
verblijf een prijsregeling op pension-voorwaarden. Het kon niet mooier:
"Veel ijver" en "weinig geld", die elk een koord van de beurs vasthouden,
knikten verblijdend eenstemmig, toen de keuze op dit hotel, met een
enorme gelagkamer en heel kleine slaapkamertjes, viel. Hier was zoveel
moois te beleven, dat ik er niet in een paar dagen klaar mee kon zijn.
Evenwel Talleyrand's onvolprezen raad ter harte nemende ("Surtout pas
trop de zèle!"), installeerde ik me in het minuscule logeervertrekje,
verklungelde de verdere middag plesant met een praatje over dit en over
dat, bewonderde opvallend veel knappe meisjes en vrouwen en dineerde
in 't hotel, met het vaste voornemen ook de mooie lauwe avond in een
zalig nietsdoen om te brengen en alle neiging tot folkloristische voortvarendheid
te beperken tot een slenterwandeling om het eiland, voor ik me in 't
kleine kamertje (met kolossale spinnekoppen, die tegen de schemering
uit alle hoeken te voorschijn kwamen en de keurige zindelijkheid van
het vertrekje schenen te weerspreken en met dijkwerkers tot naaste,
duidelijk hoorbare geburen) ter ruste zou begeven, om de volgende morgen,
gesterkt door de landelijke rust een geconcentreerde campagne op dit
belangrijke drachtcentrum in te zetten.
De onwaarschijnlijk grote en vette spinnen hadden bij het betreden van
mijn slaapsalet al onmiddellijk de aandacht getrokken en ik verbaasde
me eerlijk gezegd over de aanwezigheid van deze kreeftachtigen in het
onuitsprekelijk zindelijke logeerkamertje.
Toen ik evenwel de griesmeel met abrikoosjes, die het menu van een pensiongast
nu eenmaal onvoorwaardelijk schijnen te moeten besluiten, de aandacht
had bewezen, die zij verdienden en ik wat omdwaalde in de richting van
het open veld, werd me de aanwezigheid van honderden overvette spinnen
volmaakt duidelijk: De Muggenplaag.
Bij iedere voet, die ik verplaatste in het gras, vloog er een wolk van
dat gedierte op, die je deed schromen voor de volgende stap en die na
een voortgezette poging dermate in dichtheid toenam, dat je tot terugkeren
gedwongen werd. Nu zijn twee van die bloedzuigende ellendelingen in
een logeerkamer al in staat om me tot vertwijfeling te brengen, omdat
hun dreinend gezoem, dat klinkt alsof ze aldoor vr-ie-ie-ie-iend tegen
je zeggen, een nacht belooft, waarin je met gloeiende jeukbulten van
links op rechts zult liggen wentelen, zonder nochtans de kwelling van
die satanische jeuk op je gezicht, op je handen en armen en op alles
wat je per ongeluk bloot mocht woelen ook maar een seconde te kunnen
vergeten. Afgebeuld ontwaak je uit een veel te korte slaap, met vreselijke
wraakgedachten over dat vederlichte gedierte, dat een nacht zó lang
en zó naar kan maken. Je wapent je met een vochtige, opgevouwen ,handdoek,
om dat tuig alsnog te vermorzelen, waar je het tegenkomt en je vindt
in de hele kamer maar twee van die monsters, die loom met hun spinragdunne
achterbenen zitten te wippen en je kneust ze tot moes met de miezerige
satisfactie, een minimaal bloedkwakje te herkennen in de resten van
de vermorzelde ongedierten, die bij een frequente herhaling van zulke
strafoefeningen een ongezochte en speelse verrijking vormen van het
patroon, waarmee het (lichte) behang vermooid is. Zijn de muren van
je slaapsalet wit, dan lukt het nog wel eens een keer, om de onheilbrengers
(we spreken nog niet eens van malaria) te onthalzen voor je je definitief
ter ruste meent te leggen. Gewoonlijk kan je ze dan nog achterhalen
op wanden en plafond, behalve de twee, die zich ergens onder een nachtkastje,
of tegen de donkere plint langs de vloer hebben ver~ doken. Die komen
jolijtelijk te voorschijn met veel dorst, wanneer het licht voor de
eerste maal uitklikt. Maar het wordt gewoonlijk nog ettelijke malen
ontstoken en gedoofd, ruwer naarmate de nacht vordert, alvorens de laatste
met straffe hand het zwijgen is opgelegd en zijn tergende vriendschapsbetuigingen
om je hittige oren verstomd zijn.
Is het behang evenwel beige, gedecoreerd met een "kriebeltje", laat
dan gerust alle hoop varen: ze zullen je kriebelen tot je de volgende
morgen geknakt, met een gelaat, beige van ellende van je wanordelijke
sponde gesleurd wordt door één of andere klok van gehoorzaamheid.
Niet voor tijgers en ander grof wild zijn de piloten bang, die op de
luchtvaartlijnen in onze Oost over oerwoudgebieden vliegen, als ze er
over nadenken wat hun te wachten staat als ze er al eens in zouden slagen
een behouden noodlanding te volvoeren in de rimboe, maar voor bloedzuigers
en muskieten.
Wat daar opwolkte uit het goedige gras van ons onschuldige Urk op die
zomeravond, was ook genoeg om een overigens ondernemend stedeling te
verbijsteren.
Het staat van tijd tot tijd in de dagbladen en je neemt er kennis van
met iets van "ach, kom!" wanneer er bericht wordt, dat fietsers op de
dijk bij Lemmer het hebben moeten afleggen tegen zwermen IJselmeer-muggen.
Ik kan u verzekeren, dat ze je de adem benemen door hun ontzettende
talrijkheid. Ze dringen je neus, mond en oren binnen, bedekken je ogen
en doen je afdeinzen onder de vrees er werkelijk in te zullen stikken.
Maar God-lof, ze steken niet. Het zijn weerloze, eigenlijk heel mooie,
weke zeegroene wezens, die je bij de minste aanraking verplettert tot
een soppige, groene pap. Alles raakt ermee bekliederd! Ze sneven bij
velen tegelijk tussen je hals en je hemdsboord bij een omdraai van je
hoofd, en bevlekken je linnengoed, bij tientallen tussen je boord en
de revers van je jas bij de minste beweging en maken afzichtelijke smeerpap
op je kleren, je kraag, je manchetten, je haren zitten vol pappig groen
muggenmoes en de spinnen vieren hoogtij. Daarom zijn ze zo vet: ze kunnen
zich letterlijk te barsten eten aan de zwermen weerloze, saprijke, groene
hapjes, die hun webben bezwaren met overvloed en alles klef besmeuren
met hun vermorzelde millioentallen.
Je denkt aan de plagen, die over Egypte kwamen en je verdiept je een
ogenblik, onder de druk van deze werkelijkheid, in de gruwel van zulke
bezoekingen, die niet meer dan klanken waren als het je voorgelezen
en geleerd werd.
Maar ja, zo gaat het als je eigengereid en opzettelijk ingrijpt in een
toestand, die vanouds organisch gegroeid is en ontstaan. Toen de afsluitdijk
de Zuiderzee onderwierp, werd het zoute zeewater in de afgesloten binnenzee
door het instromende rivierwater allengs brak en van brak, zoet. De
zeevissen stierven uit: de grote opruimers van de in het water levende
muggenlarven legden het loodje. Het evenwicht was verbroken en de muggenlarven,
die niet langer belaagd werden, konden zich ongestoord ontwikkelen tot
zwermen, wier volkrijkheid zich nog alleen met astronomische getallen
zou laten becijferen: de muggenplaag brak los.
Honderden tegen ieder ruitje. Milliarden tegen de gevels van de huizen.
Triljoenen op de vissersschuiten, die uit zee komen, zó dicht op elkander,
dat de boot groen gekleurd lijkt en de romp met het tuig schuil gaan
onder een dekkende laag pappige, weke, zeegroene IJsselmeer-muggen.
Stijf moeten de ramen en de deuren dicht blijven, ook al is het snikheet,
de muggenzwermen dreigen alles te overmeesteren en het huis onbewoonbaar
te maken en te verontreinigen met hun groenige, drabbige moes en de
kleren en het eten, alles!
De mensen komen tot vertwijfeling onder deze zenuwslopende, vieze kwelling;
alleen de spinnen genieten, log sabbelend in hun webben, die op scheuren
staan.
Het regenwater, het drinkwater is ermee verpest en onbruikbaar, en het
regent aanvragen bij de waterleiding om aansluiting.
Morgen keert de wind misschien en waaien de nutteloze, stuurloze, weerloze
zwermen over naar een andere oever of naar de dijk en ademt Urk weer
even op. De spinnen kan het ook niets schelen. Die zijn zo zat, dat
ze best een paar dagen willen vasten. Trouwens er blijven er toch nog
genoeg....
De Urkers zijn er anders de mensen niet naar om bij de pakken neer te
zitten. "Als het getij verloopt, worden de bakens verzet", heet het
in een van die oude zegswijzen, waaraan onze taal zo rijk is en die
nog eens opnieuw in het licht zetten, hoezeer wij vergroeid zijn met
de scheepvaart en de zee; en hier verliep het getij geducht. Manieren
van vissen, zoals die gebruikelijk zijn in Denemarken, werden ingevoerd
met grote onkosten bij de aanschaf van nieuw want. Bij de nieuwe methode
had de vis minder te lijden en won dus aan kwaliteit; een betere kans
om het op de internationale markt te kunnen bolwerken.
Kerels van aanpakken, die vissers van het Protestante Urk, die merkwaardigerwijze
zo'n spontane waardering hebben voor de animerende, pretlievende Katholieke
Volendammers, veel meer dan voor de stroevere, degelijke Markers, die
toch ook aanhangers 1 van Calvijn zijn.
Die animositeit tussen Marken en Urk, dat een uitgesproken NoordHollandse
traditie vertegenwoordigt in de kleren, al ligt het dichter onder de
Overijselse kust, dan onder:de Noord~Hollandsé, komt op de meest onverwachte
momenten om,-de,hoek kijken.
18e eeuwse kinderkleren van Urk waren zó onafwijsbaar verwant met de
Marker aequivalenten,- ja vrijwel identiek ermee, dat* ik niet kon laten
er in mijn verbazing met de mensen over. te beffinnén. Een goeie beurt
maakte,ik 'er niet mee,- Want het tamelijk, hitse, antwoord liet aan
duidelijkheid niets te wensen over: ,,Urk was altoos op zijn Urkers
geweest en met Marken hadden ze niks te maken." 0 zo!
Een andere mede-Urkerse nam die controverse blijkbaar wat minder hoog
op en vertelde smakelijk van een ervaring, die het zojuist aangehaalde
opnieuw in een duidelijk licht zet.
Door erflating was ze bezitster geworden van wat antiek kindergoed en
had, om den vader van haar kind te vernuveren, den kleinen man uitgedost
in het 150-jarige plechtgewaad, met mutsjes en al. Maar Pa, die blijkbaar
niet in een luim verkeerde om zo'n lichtzinnige scherts naar waarde
te genieten, bleek in 't minst niet bekoord door de minder gebruikelijke,
hoewel pronkende verschijning van zijn stamhouder. Hij keek er schaapachtig
naar en de Moeder, die gespannen het effect van haar maskerade afwachtte,
teleurstellend met de verwonderde, gemelijke vraag: "Wat heb je nou
gedaan?", beval hij, kennelijk geprikkeld, het ornaat stante-pee af
te leggen, met het welsprekende commentaar: Je hebt 'r een Marker van
gemaakt ......
Marken mag dan blijkbaar op Urk niet getapt zijn, Jan de Marker was
een van de hunnen, dat leed geen twijfel. Of die naam duidde op een
herkomst, of aan welke omstandigheid die betiteling ontleend was, heb
ik helaas niet gewaar kunnen worden. Maar als hij dan van geboorte misschien
al geen Urker was, zijn merkwaardige talenten hadden zich onder de mede-eilanders
waardering en respect veroverd en terecht. Jan de Marker maakte knipsels
met de schaar. Voor bruiloften van alle plechtigheidsgraden, zo groene
als gouden, maakte hij toepasselijke wanddecoratiën, die, met een eigenaardige
begaafdheid voor het sierkunstige element erin, vervaardigd werden uit
glimmend gesatineerd "sits"-papier van effen donkerrode, donkergroene
of zwarte kleur. Geplakt op een lichte ondergrond en ingelijst, werden
zulke knipsels een mooi ding op de muur, die een blijvende plaats verdienden,
ook al om de zinrijke spreuken, die hij er met primitieve kunstvaardigheid
in verwerkte.
Bij kennissen had ik al een paar van zijn kunstnijvere producten bekeken
en van harte bewonderd. Daarom was ik er bijzonder op gesteld den ouden
man eens te ontmoeten, om hem eens persoonlijk te mogen overtuigen van
mijn bewondering en zo mogelijk een stuk van zijn werk aan te kopen
voor het museum.
Al is Urk ook niet groot, toch bleek het groot genoeg om elkaar herhaaldelijk
mis te lopen. De eerste maal, dat ik probeerde hem na veel vragen en
zoeken thuis te vinden, ving ik bot. Juist op het ogenblik, dat ik met
één stap om een hoek voor de huisdeur meende te belanden, waardoor Jan
de Marker uit en in pleegt te gaan, werd er in de deuropening en dus
ongeveer in mijn gezicht een kletsnatte "vaat"doek uitgeslagen met zoveel
~kracht, dat om mijn oren een mild sproeiregentje verwoei, waarin de
zonneschijn nog net even schik had met een heel klein veegje regenboog.
Dit energieke gebaar was evenwel niet bedoeld als een attentie aan den
juist arriverenden bezoeker, maar meer een pure coïncidentie zoals die
tot algemeen vermaak een enkele maal voorkomen in het leven. Ik mocht
me gelukkig prijzen, dat het geen tijger was, waar ik me onverhoeds
voor geplaatst zag, zoals een zeker heer op het eiland Sumatra overkwam.
Die meende, van den prins geen kwaad wetend, de hoek van een straat
om te slaan in Palembang-city, maar zag zich in dit voor nemen verhinderd
door een geel en zwart gestreept roofdier van groot formaat, dat kennelijk
van de andere zijde hetzelfde plan koesterde, maar daarin'evenzeer door
deze alleszins onwelkome ontmoeting verhinderd werd. Een ondeelbaar
ogenblik stonden beiden verstijfd tegenover elkaar, terwijl hun snorren
van schrik langzaam omhoog gingen. Daarop hebben ze zich evenwel wederzijds
omgedraaid en zijn in galop op hun schreden teruggekeerd. De heer moet
er later nog "veel van geweten hebben" en had geruime tijd nodig om
weer op zijn verhaal te komen.
Ik had echter geruime tijd nodig om Jan de Marker te pakken te krijgen.
Wanneer me verzekerd werd, dat hij juist naar de haven gewandeld was,
toog ik daar fluks heen, maar ervoer gemeenlijk niets naders, dan dat
Jan ook daar vandaan weer met onbekende bestemming weggedrenteId was.
Dies bleef me weinig anders over, dan maar op goed geluk te vragen en
te lopen, temeer omdat ik zijn gezicht niet kende.
Ook een laatste poging dreigde zonder resultaat te zullen blijven en
min of meer ontstemd wilde ik mij opmaken tot een onvoldane terugtocht,
toen ik een zeer oud man, met de traagheid aan zijn hoge leeftijd eigen
op het huis af zag koersen, dat ik juist de rug toegekeerd had. Een
ogenblik later ontmoette ik den lang gezochte: Jan de Marker; de maker
van al die merkwaardige, kunstige papierdecoraties, stond voor me.
Of het de verrassing was van plotseling den langgezochte voor me te
zien of iets anders, weet ik niet, maar ik kon tegenover dezen stokouden
man niet zo gemakkelijk de toon vinden, die gewoonlijk in een paar minuten
een vriendschappelijke verstandhouding tot stand brengt. Met iets van
ergernis hoorde ik mijn eigen stem, terwijl ik probeerde duidelijk te
maken, waarom ik hem kwam lastig valen. Maar zwijgen leverde ook niets
op, want zei de goeie baas al niets terug, wanneer ik hem aansprak,
er volgde al evenmin enige hoorbare toenadering wanneer ik mijn mond
hield. Met vochtige, roodomrande ogen nam hij mij onderzoekend op, maar
sprak geen woord. Dan wendde hij zich, nog steeds zwijgend, naar de
huisdeur en ging naar binnen, zonder om te zien. In het begin zou ik
bij zo'n gelegenheid "o, neemt u me niet kwalijk" gezegd hebben of iets
van dezelfde kracht, en weggegaan zijn met een kleur en het gevoel iets
heel ongepasts te hebben begaan. Nu wist ik beter en wachtte, hem volgend
tot de drempel, wat er komen zou. Ik had ook heel best gelijk mee naar
binnen kunnen gaan, maar ik verkoos in dit geval nog te wachten tot
hij uit zijn klompen stappend de gang doorliep op kousenvoeten en pas
bij zijn kamerdeur een kort uitnodigend gebaar maakte, vergezeld van
een geluid, dat uit een volkomen verroeste keel leek te komen. Hij ontving
me dus en binnen neerzakkend op een stoel, liet hij me nog eens rustig
het hele verhaal opnieuw doen.
Ditmaal met een hoorbare uitwerking. Zijn mond en stem maakten de indruk
in geen maanden te hebben dienst gedaan en langzaam aan leerde ik in
de rauwe, hese geluiden gevormde woorden onderkennen. Hij had van zijn
leven veel geknipt "met de schaar", maar nou ging het niet meer. Zijn
handen waren niet best meer tegenwoordig en zijn ogen gingen ook achteruit,
al droeg hij nog geen bril. Verder was alles nog best, zijn eetlust
(gewichtig punt), alles! Hij mankeerde nooit wat, maar nèt wat hij voor
zijn knipwerk nodig had liet hem in de steek.
Of hij nog werk kon laten zien, wilde ik weten. Maar ook dát ging niet,
omdat alles was verkocht en present gegeven. Zijn spullen had hij nog
wel, maar zijn handen.... Onbegrijpelijk trouwens, hoe die vergroeide,
beplekte knobbelhanden ooit iets subtiels hebben kunnen maken van zulk
broos materiaal als het glimmende sitspapier. Die knipsels waren wel
geen wonderwerken van geraffineerd gepruts geweest, maar het bleef,
den man kennende, toch maar merkwaardig, dat handen, die alleen naar
het grofste werk leken te staan, een schaar voorzichtig genoeg hadden
weten te hanteren om uit zo'n glimmend vel papier uit de boekwinkel
ornamenten los te fikkelen, waar je met pleizier naar keek.
Dat maken van papierknipsels is lang voor dezen beoefend door klungels
en virtuozen, door liefhebbers en door beroepsmensen en verspreid in
oudheidskamers en musea hangen de nauwelijks opgemerkte proeven van
knipkunst, waarin soms een volkomenheid bereikt is, die voor ons, twintigste-eeuwers,
aan de fabel grenst. Met meer of minder beeldend vermogen zijn taferelen
uit de Heilige Schrift en uit het dagelijks leven en bedrijf verwerkt
tot vaak verrassend knap geschikte decoratieve verbeeldingen van wit
op kleur, of van zwart op wit of op goud.
Vooral in de XVIle eeuw werd deze "schaerconste" met vlijt beoefend
en tot op zekere hoogte voor vol aangezien. Omdat het in hoofdzaak de
oververfijnde, barokke kunstigheid eraan is, die de bewondering van
de góe-gemeente gaande maakt, is die virtuositeit dikwijls op de spits
gedreven tot in het absurde. Maar die prestaties zijn het niet, die
latere geslachten in dezelfde mate wisten te boeien en te bekoren. Het
langst hebben diè knipsels de aandacht getrokken en vastgehouden, die
niet alleen kunstig en onbegrijpelijk fijn zijn uitgevoerd, maar die
vooral als mooi "dingetje" op de muur blijvend bewondering wekten en
in ere bleven. De compositie is in die veel bewonderde stukken minstens
even belangrijk als het kunstige prutswerk eraan en nooit is er knipwerk
gemaakt, waarin die twee aanzichten sierlijker en knapper verenigd werden,
dan in de schaarproducten, die bewaard gebleven zijn van Anna Maria
van Schurman, de tijdgenote en vriendin van Joost van den Vondel.
Als kind van negen jaar heeft die vrouw dingen gepraesteerd, die volstrekt
onnavolgbaar zijn gebleven tot op heden. De verbijsterende begaafdheid
van Juffer Schu(u)rman, die als kind van drie jaar al lezen en schrijven
kon en knipsels begon te maken, uitte zich niet alleen in haar geweldige
kennis van levende en dode talen, die zij niet alleen volmaakt beheerste,
maar ook even voortreffelijk sprak, maar ook als beeldende kunstenaresse
bracht zij dingen tot stand, die onvoorwaardelijke erkenning afdwongen.
Boetseren en het snijden van kleine reliefs en plastiekjes uit peren-
en palnihout beoefende ze even voortreffelijk als allerlei grafische
technieken van de meest uiteenlopende aard. Maar ook borduren bijvoorbeeld
verstond ze tot in het volmaakte, al van haar prille kindertijd af en
in 't museum van Franeker zijn, behalve onder andere een boek, dat zij
vulde met afbeeldingen van insecten en planten, op wit satijn geborduurd
met veelkleurige zijde, zó onbegrijpelijk volkomen, dat zij als het
ware de vergelijking met een kleurenfoto van het levende object met
glans doorstaan, verschillende werkstukken van haar hand, die zij met
de schaar gemaakt heeft. Pretentieloze sierlijkheidjes, waar meer wezenlijke
"kunst" aan te vinden is, dan aan de pralende, allerkunstigste kunststukken
van tijdgenoten en navolgers in dit genre. Nooit bloeiden er anjeliertjes
spitser en geestiger, nooit vergeetmijnietjes aanminniger in 't kleine
en nooit madelieven ttralender, dan de microscopische bloemwezens, die
fonkelen in de festoentjes, waarmee sierlijk aaneengesnoerde familiewapentjes
omslingerd en geflankeerd worden en die Anna Maria met kindervingertjes
uit een stukje wit papier wist los te maken. Toen zij ruim drie jaar
was, begon zij ermee en de laatsten ontstonden voor haar tiende, omdat
zij zich toen al te oud begon te vinden voor zulke kinderachtige spelletjes.
Zij heeft daarna haar tijd stellig niet verbeuzeld, al blijft het jammer,
dat er niet nog veel meer van haar délicieuze knutselwerkjes bewaard
gebleven zijn.
Jan de Marker heeft haar werk waarschijnlijk nooit gezien, of zelfg
maar horen noemen en de harde handen van den ouden visserman kunnen
maar kwalijk wedijveren met de verfijnde vingers van de vrouw, die door
haar tijdgenoten werd verheerlijkt als een tiende muze. Zijn prenten
waren ook maar bestemd voor een plaatsje op de muur in een simpel boeren-
of vissershuisje en zouden nooit het gezelschap te verduren krijgen
van werken der meesterschilders uit Holland's bloeitijd, zoals die van
zijn doorluchtige voorgangster, maar op zijn best dat van een ingelijste
"tekenlap" met kruissteek-poppetjes en van een godsdienstige scheurkalender.
Toch zijn zijn werkstukken ook een mooi ding op de muur, omdat zij decoratief
zo aardig in elkaar zitten. Een natuurlijk gevoel voor het sierkunstige
heeft zijn keuze geleid bij het schikken van vlakverdelingen en randversieringen
om een hoofdmotief, tot alleraardigste gehelen. Bovendien geven zijn
knipprenten niet zelden dichterlijk uiting aan een vroomheid, die even
argeloos en overtuigend aandoet als zijn werk. Boeren en vissers kennen
de ootmoed tegenover de machten, die het leven, hun leven, beheersen
en geven zich met al hun mannenkracht en vastberadenheid over aan de
majesteit van het eeuwige, dat hun leven, alle menselijke ar~eid en
streven ten spijt, dikwijls in ondoorgrondelijke banen leidt. Boeren,
die gestadig in afwachting zijn of het werk van hun handen gedijen mag
in zon en regen, vinden dezelfde wijze berusting in de menselijke onmacht,
als de vissers, die in elke storm oog in oog staan met de dood en aan
den lijve ervaren, dat menselijke hoovaardij niet ver voert, al wordt
er ook gewerkt met kunde en kracht.
Omslachtig en incompleet poetste Jan zijn oude neus, terwijl ik mijn
verhaal opnieuw deed en de rooie zakdoek, waarmee hij deze bewerking
volvoerd had, op tafel gooiend naast een geblutste, blauw geemailleerde
koffiepot (waar het deksel aan een touwtje bijbungelde), zodat de vliegen
van het gebloemde tafelzeil opvlogen en hun onbesuisde zwiertoeren om
de afgegeten tafel hernamen, stond hij zelf verrassend gemakkelijk van
zijn stoel op en scharrelde naar een geverfd commodetje, waarin blijkens
het volgende zijn "spullen" geborgen waren. Zijn wezenlijk zeer hoge
leeftijd belette hem nog niet om er nog als een jongen op zijn hurken
voor te gaan zitten en secuur zijn zaken bij elkaar te zoeken.
Zou er nog iets te voorschijn komen? Het zou heel spijtig zijn, als
hij werkelijk niets meer af te geven had, want van zijn arme, oude handen
was niets meer te verwachten, dat kon iedereen zien. Toen deponeerde
hij alles op de tafel, die nat beplekt was en toonde vol trots de schaar,
die hem zó lang gediend had. Een verroeste koei van een schaar. Een
lomp werktuig, dat bij het herstellen van netten en zeilen zijn diensten
ongetwijfeld uitstekend gedaan had, maar dat voor fijnere karweitjes
veel verlangde van de behendigheid in 't hanteren. Jan had het er al
zijn leven mee gedaan en met ere. Zelf heb ik me ook wel eens aan het
maken van papierknipsels bezondigd en kon me haast niet begrijpen, dat
hij met dit lompe instrument de letters, en ornamentjes uit een vel
sits had weten los te wurmen. Maar & Marker vond daar niets verbazingwekkends
in.
Toen rommelde hij in zijn paperassen en tot mijn helse vreugde kwam
er tussen restanten papier en bekrabbelde velletjes met ezelsoren nog
een blad te voorschijn in een min of meer verfomfaaide staat weliswaar,
maar gelukkig meer gekreukt, dan geschonden. Dus was er zeker nog van
alles aan te doen om het weer in alle staten tebrengen. Vroegere ervaringen
met schijnbaar geruïneerde knipsels, die honderd jaren in familiebijbels
gekneusd en verfrommeld verdoken waren geweest, hadden de verheugendste
resultaten opgeleverd, na gedurfde bewerkingen met stomende theeketels,
natte sponzen en hete strijkijzers, waarbij ik menigmaal de deugdelijkheici
van het ouderwetse papier in stilte geprezen had, zodat zich het noodzakelijke
zelfvertrouwen ontwikkeld had, om een dergelijke, restauratie met aplomb
en redelijke hoop op een goede afloop te, durven ondernemen.
Een rand van glimmende, stekelige ornamenten, als kribbige spinnekoppen,
omsluit een veld vol zwarte, bizarre hiëroglyphen, waarop dudelijk en
hoofdzakelijk de omtrekken van een boot, een vissersschuit, zich losmaken,
omsloten en ingevat met welig gebladerte, dat zich fors en rul uitspreidt
op de witte papieren ondergrond. Onder het schip, dat zaakkundig verantwoord
is met schroef, stuurinrichting, tuigage en een bemanning van twee koppen
aan boord, kabbelt een stil zeetje, waarop (dichterlijke vrijmoedigheid)
drie zwanen dobberen in verschillende formaten. Het hele blad heeft
een weligheid, pittig als onkruid, ook waar regel na regel een vers
is verwerkt, dat de grote bovenhelft van het blad vult met een wonderlijke
mengeling van hoofd- en kleine letters, drukletters en schrijf-dito,
met S-en die links- en rechtsom kronkelen, dat het een lieve lust is,
het een en ander versierd en gekruid met een uiterst bizarre en ongemotiveerde
interpunctie.
Er staat zoveel op, dat je er een poosje zoet mee bent om het áf te,
bekijken en de wonderlijke letterreeksen te ontcijferen. Jan heeft de
tijd en laat me rustig op het werkstuk studeren.
IK.vaar.ter.Zee.OP.Myrt.GeWIn.
GOD.IS.Myn.LySMan.Waar.IK.Ben.
O.Heer deeL.My.UW.ZeGen.Mee.
GeIYK.GY.U.APOSSTeLen dee.
Geen.Beter.vanSt Is.OOIT.GeWeeSt.
ALS.JeZUS.deet.door.ZYnen."
"Geest"
lees ik en ben blij met het stuk, dat hij bereid is tegen een zeer nederige
prijs te laten. Goed, het is ook maar een vel papier, niet eens erg
fris meer, beplakt met een knutselwerkje van een ouden man, maar het
is tevens meer, veel meert Het is een biographie-tje, een credo, een
zegenbede en een lofzang in één. In zes kreupele vers~egels, waar ondanks
alles iets doorheen gaat van waarachtige dichterlijkheid, heeft die
zwijgzame oude man het mysterie verheerlijkt, dat zijn werk en zijn
leven beheerst heeft vanaf zijn jongensjaren. Vissers waren de eerste
volgelingen van den Nazarener. Visser is ook hij en het is of hij zich
dichter bij het Vaderhuis voelt daardoor, zonder er zich met een zwervende
gedachte op te verhovaardigen.
In het armoedige kamertje, waar de vliegen over het tafelzeil rijden
van de ene suikerkorrel naar de andere en met hun malle, zwarte slurfjes
staan te soppen in een morsplek naast de blauwe koffiekan, is iets anders
gaan heersen. De korte versregels, die stotend en stroef klinken als
de weinige woorden, die hun maker moeizaam spreekt, hebben ernst en
peinzen in het vertrek gebracht. Ik vaar ter zee op mijn gewin....",
lees ik halfluid van het versierde blad en als ik een ogenblik draai
met doorlezen, omdat mijn blik even wegglijdt naar het oude gezicht,
dat peinzend in de verte staart, laat hij er zelf op volgen met een
onvergetelijke ernst en zonder emphase:
".... God is mijn Lijsman waar ik bin...."
Zoals hij het zelf zegt, rijmt het. Toen het onherroepelijk zwart op
wit moest komen, is hij onzeker geworden en braaf schools gaan spellen.
Maar het versje rijmt tòch in je gevoel en zoals hij het zelf zegt zeker.
Bijna toonloos en indrukwekkend vervolgt hij:
" .... 0 Heer, deel mij Uw zegen mee, gelijk Gij Uw Apostelen dee."
In zijn peinzende eerbied ziet de visser van nü, de Vissers van ,Galilea
en spreekt uit zijn eigen dagelijks leven als het beeld, dat de laatste
twee regels zinrijk vult, woorden zoekt uit zijn gewone taal.
De laatste rij was vol en één woord, het laatste, moest nog geplaatst
worden, maar dat ging niet mooi meer. Hindert niets! Met een potlood
is het op een papiertje geschreven en er zomaar ingeplakt. Het blad
is er voor ons geen duit minder mooi om geworden, maar wel veel dierbaarder.
Een puur en kostelijk brokje volkskunst, dat knipselblad en het krijgt
een plaats aan de muur in mijn museum. De dag was weer rijk gevuld door
de ontmoeting met dezen pretentielozen, ingetogen schaarkunstenaar,
die mijmerend naar buiten staarde en met hese stem,> bijna fluisterend,
zijn vers herhaalde:
" .... Beter vangst is nooit geweest, Als Jezus deed door Zijnen Geest."
Het hele eiland was er mee begaan. De vrouw, die verweeuwd achterbleef,
kon alleen opdraaien voor de winkel en de zorgen dragen voor dat stel
lastige kinderen, dat nog helemaal grootgebracht moest worden. Eigenlijk
had ze er al maanden lang alleen mee opgetrokken, omdat de man gedurig
minder werd. De doktoren hadden hem "opgegeven" en dat hij niet lang
meer leven kon was duidelijk: hij werd met de dag magerder. Op een kwade
dag, twee maanden terug, was hij genoopt "burger" kleren te gaan dragen,
een broek met bretèls, omdat zijn Urker broek, die op het dikst van
de heupen moest blijven hangen, geen houvast meer vond en telkens weer
afgleed.
Maar toen de slag dan eindelijk viel, kwam de klap nog hard genoeg aan.
Het gruwelijke feit is zo moeilijk te verwerken, maar alle deelneming
van de buurt en alle meewarige praten er over in groepjes bij de deuren
kon niet verhinderen, dat het ogenblik kwam, waarop de doodmoede vrouw
het stille, magere gezicht voor het laatst zag en de lange zwarte kist
gesloten werd....
Het was schandelijk van me, maar ik had de duvel in, omdat het al mijn
plannen volkomen door elkaar gooide. De ongelukkige vrouw, die dit plotselinge
einde niet voorzien kon, had nu wel wat anders aan haar hoofd, dan een
vent te woord te staan, die kwam zaniken over Grootje's hul. De zinnen
van de weduwe, die bekend stond als »goed bij" over alles van vroeger,
stonden voorlopig naar niets anders, dan naar haar eigen zorgen. Dus
zou ik voor mijn vertrek over vier dagen, dat onherroepelijk vaststond,
niets meer gewaar worden van die zijde. Jammer, erg jammer.
Van het Urker heden was ik vrij goed op de hoogte geraakt, dank zij
mijn gastvrouw in het Hotel, die de bereidwilligheid zelve was geweest
en niet moe werd om me van alles te tonen en uit te leggen. Voor mijn
"werk" had ik zelfs de beschikking gekregen over haar "zitkamer" en
ik mocht kwijnende varentjes in gipsen jardinières en gehaakte kleedjes
(versierd met hier en daar een vlugge rode strik) zelfs ongestraft van
de tafel verbannen om vrijer te kunnen werken aan patronen en vormen,
die met eindeloos verknippen van couranten en pakpapier en met talloze
spelden, die met afmattende volharding telkens de vloer opzochten, "afgevormd"
moesten worden op de broeken en baadjes van manlief, die voor deze bijzondere
gelegenheid schoongeschud werden van het tabaksgruis, dat in de commode
de mot op een eerbiedige afstand moest houden en het blijkens de gaafheid
van bedoelde kledingstukken dan ook niet onverdienstelijk deed.
Hoe netjes en hoe omzichtig je zulke knipperij ook probeert te volbrengen,
er blijven toch altijd snippers en sporen achter, maar zelfs deze wanorde
in haar keurig nette zitkamer bleek niet in staat ,om de goed gehumeurde
welwillendheid van haar, die hier de scepter zwaaide, te verminderen.
Ze snapte blijkbaar het belang van wat ik wilde en had er zelf ook kennelijk
zijdelings schik in, dus hinderde het allemaal niets.
"Zo meteen komt het vrouwtje langs, dat de dood aanzegt", waarschuwt
ze me, als ze me het kopje koffie van elf uur brengt, waar maar twee
groene muggen in dobberen, en me daarmee verrast in een heidense bende
van snippers en verfrommelde proppen van mislukte probeersels, die haar
tot mijn opluchting in het minst niet ergert. "Die heeft een dood-ouwerwès
hoedje op", licht ze toe. En het hoedje kwam. Inderdaad "dood-ouwerwès".
Een fijne, boerse verstrakking van de luifelhoed, die om 1840 de grote
mode was en die steevast op de proppen komt, wanneer er voor operette
of bal-masqué een "Biedermeyer"-pakje in elkaar geflanst moet worden.
Tot in 1890 bleven die hoedjes, gevoerd en omboord met kleurige zijde,
gemeengoed in 'allerlei drachten van 't land. Van het fijnste witte
Italiaanse stro in elkaar geknutseld, werden de bolletjes en de aanzet
van de voorrand in het buitenland gemaakt, op een stro'tje nauwkeurig,
zoals de vrouwen, de klanten, die ook hier als evenzovele koninginnen
regeerden, het wilden hebben. Een importeur met een Italiaanse naam
op de Nieuwendijk in Amsterdam leverde ze en zo akelig precies waren
de afneemsters op de details, dat zij, toen de fabricage door omstandigheden
in andere handen overging, de hoedjes, waar een leek geen nawijsbaar
verschil aan kon ontdekken. niet meer wilden hebben. Voor haar was dit
een aanleiding om van de hele hoedendracht af te zien, liever dan iets
op te zetten waarmee ze niet helemaal accoord gingen.
Die luifelhoeden waren vanouds een précaire aangelegenheid geweest,
ook bij de dames in de stad. Bij mijn snuffeltochten heb ik zo'n "chapeau
de paille-d'ltalie" in handen gehad uit particulier bezit, waarop bijna
een huwelijk gestrand was. (Ja, ja!) Deze huwelijkstragedie anno 1845
was ontvlamd op de eigenlijke Juifel" van de hoed, die om helemaal tip-top
te zijn zeker drie bandjes breder had moeten wezen. Enfin ze zijn er
alsnog aangezet en daarmee was. Het onheil enigermate bezworen al kon
je het duidelijk zien.... Het nageslacht vermaakt zich met het geval,
maar voor de tijdgenoten was het blijkbaar ernst.
Die luifels werden vroeger bij de drachten met stug grijs bordpapier
op de enig juiste wijze (naar plaatselijke opvatting) met een onnavolgbare
allure vergroot, bij voorkeur door de hoedenmaakster, die bij acclamatie
een brevet van voortreffelijkheid in deze materie verworven had. We
moeten dadelijk toegeven, dat die landelijke modistes (waarschijnlijk
door het eindeloos herhalen van een zelfde vorm) een routine verworven
hadden, die haar in staat stelde ongeveer blindelings een uitnemende
"coupe" te treffen. Helaas gaat alles voorbij en de luifeltjes keerden
terug tot stof, zoals ieder ding in deze wereld. Het hoedje, waar grootmoeder
trots op was geweest en dat door moeder geduld was, werd door de dochter,
die op de Franse school ging, weggesnobd en teu vure gedoemd.
Maar de dracht gaf het flatteuze hoofddeksel maar niet zó prijs over
de hele linie, en tot op de huidige dag heeft zich van dat hoedje een
eretijnige nakomeling staande weten te houden benoorden de Zaan. Daar
wordt het "kiepie" of hullehoedje, dat verworden is tot een Pekingees
onder de hoedjes, nog steeds gedragen en bekroont er met een komiek
wipneuzig luifeltje van onnavolgbare ronding de keurige, coquette hul,
die hier een "trekmuts" heet, of een "snorretje".
Gewoonlijk blijven in kinderdrachten en rouwgewoonten oude vormen het
langst bewaard en dat is ook wel weer te begrijpen. Modieuze moeders
vinden het voor hun dochters gewoonlijk niet zó nodig om naar de allerlaatste
eis getooid te gaan. Marken bijvoorbeeld, heeft tegenwoordig nog een
kinderkracht, die blijkens een schilderij, dat vroeger in het Zaanse
Museum te Koog-Zaandijk hing en nu ook wel zal overgebracht zijn naar
het huis van Neel de Jager, ook algemeen gedragen werd door de volwassen
vrouwen in, de XVIle eeuw. In kinderrijke gezinnen met een smalle beurs
zijn de telgen gewoonlijk min of meer consequent op "afleggertjes" aangewezen
en het goed, dat voor volwassenen uit de mode is, doet dan nog opgeld.
De brokken van de veelbesproken Marker flebs bijvoorbeeld, hebben een
vorm, die op een bepaalde manier de huidige kinderdracht op dat eiland
nabij staat. Daarom heb ik de hoop ook nu nog steeds niet opgegeven,
om via die kinderdracht nog eens meer ervan gewaar te worden.
Alle modieuze vertoon is natuurlijk vanzelfsprekend in strijd met de
gangbare ernst bij een graf, dat de stervelingen onwillekeurig de aandacht
meer op het eeuwige doet richten. Om dus niet het misprijzen van de
kleine gemeenschap uit te lokken en de verdenking van harteloze oppervlakkigheid
af te weren, wordt bij het rouwbetoon aan het graf en de eerste tijd
erna alles vermeden wat naar ijdele opschik zweemt en blijven vormen
gehandhaafd, die door hun ouderwetsheid alle verdenking ontzenuwen.
Daarom is het "Waterlandse" hoedje vermoedelijk bijvoorbeeld in Huizen
(N.H.) en op Urk tot voor heel kort in gebruik gebleven bij begrafenisplechtigheden.
De aanspreekster kwam haar werk doen, getooid met het Waterlandse hoedje,
met een royale zwartgevoerde luifel boven op een stemmige hul, en ook
deze folklorische verschijning de eer bewezen hebbende, die haar rechtens
toekwam, keerde ik terug naar de ontluisterde zitkamer en ging proberen
de maten te noteren van een "geplooide rooie scort".
Het ouderwetse woord scort (vergelijk het Engelse "skirt"), voor een
vrouwenrok, was ik al herhaaldelijk tegengekomen op Marken, maar hier
had ik dan een "geplooid rood" exemplaar onderhanden. Dood-ouwerwets
kan ik u zeggen! Met dat rood gelieve u het niet zo nauw te nemen, want
deze was bepaald niet rood, maar wel levendig roodbruin. Vroeger was
de hele dracht, als overal elders, veel kleuriger, maar na de ramp van
1868, toen er maar eventjes tijdens een verschrikkelijk, plotseling
opkomend noodweer van de Urker vissers alleen al 28 verdronken op de
Zuiderzee en het hele ,eiland zwaar in rouw gedompeld werd, is het zwart
de boventoon -gaan voeren in de dracht en is er eigenlijk sindsdien
baas gebleven. Vroeger werden die rooie scorten nog het laatst bij het
schaatsen,rijden gedragen en gaven dan fleur aan het feestelijk vertier
op het ijs. Maar geplooid waren ze, dat kan ik u ten stelligste verzekeren.
,Je mag 'm wel houden", zei mijn gastvrouw, die me de rooie scort in
handen gegeven had, terwijl ze toekeek hoe ik met mijn ietwat beue centimeter
de grove "plissé'-plooien namat en de totale wijdte ,opnam. Een ogenblik
schoot er iets gretigs in me los, maar bravig ,gereserveerd maakte ik
het haar dadelijk weer makkelijk het aanbod, misschien onnadenkend gedaan,
weer terug te nemen. Maar neen ze volhardde.
,,'k Heb er toch niks meer an", motiveerde ze haar gulheid eerlijk.
Ik kan 'm wel zwart laten verven, maar de plooien krijg ik er toch nooit
meer uit, al kook ik 'm een uur lang. Dat heb ik al gepro-beerd."
Ik herinnerde me de plissé-jurken van vriendinnetjes en nichtjes van
-vroeger en hoe de jeugdige ijdeltuiten doordringende gillen plachten
te slaken wanneer er maar een druppel water in de buurt kwam, omdat
de plooien er uit gingen als ze nat werden", en vroeg me stomverbaasd
af welke middelen ze dan in vredesnaam te baat genomen hadden, om die
rooie scort zó stijf in de vouwen te krijgen, dat langdurig koken zelfs
niet afdoende bleek, om het ongedaan te -maken.
"Dan werd het in de vouwen, met een witte doek erop onder het hete roggebrood
gelegd bij den bakker, zó als het uit de oven kwam. Als dat dan een
paar keer overgedaan was, ging het er ,nooit meer uit", luidde het even
nuchtere als practische recept. Ik dankte mijn goede zegsvrouwe en prees
in stilte de deugdelijkheid waarmee vroeger gewerkt werd en ontrukte
door het op te schrijven den bakker en zijn roggebrood, aan wiens toedoen
ik voor de verzameling een vrij zeldzaam geworden "rooie scort" had
te danken, aan de vergetelheid, als klein bewijs van mijn erkentelijkheid.
"Rijsselse kant van 7 c.M. breed, met een bloemmotief (op effen -tulle,
dus zonder moesjes). dat zich op 51 c.M. herhaalt", noteerde het geroutineerde
potlood, "bol en gaas krachtig geblauwd, de kant evenwel geel gekleurd
met...." Ja met wat?
"Thee of koffie, of liever een kogelflesje?"
De lieve ziel, die met deze vraag binnen kwam had in hoge mate clairvoyant
moeten zijn, wanneer haar uitlating bedoeld was als antwoord op mijn
niet hoorbaar uitgesproken vraag, maar zo'n vaart liep het gelukkig
niet. Ze liet me alleen weten, dat het tijd was voor een protocolaire
verfrissing en herinnerde mij er verder aan, dat de begrafenis gauw
op weg zou zijn, dus dat ik voort moest maken, als ik er nog iets van
zien wilde. Dat gele kleursel voor de muts haalde ze in poedervorm bij
den huisschilder en dan mengde ze het door de stijfsel.'De kant van
de muts werd stijf gemaakt met gele, de bol en het gaas met blauwe stijfsel,
met de hand erin gesmeerd. Grappig eigenlijk, dat het contrast tussen
de eventjes ivoorkleurige kant en de fabriekmatig blauw-wit gebleekte
overige stof van de muts hier verscherpt werd tot uitgesproken geel
en blauw. De er doorheen schemerende, blinkend zilveren oorijzer-beugel
vraagt er eigenlijk om en 't doet 't prachtig. Toen ik bij den schildersbaas
voor een paar centen van dat kleursel ging halen, stond er "Oker" en
"Chromaatgeel" op de laadjes, waaruit hij een paar schepjes door elkaar
hutselde in het papieren peperhuisje, waar ik het in meekreeg.
Onder het opruimen piekerde ik zowat door, over het hete roggebrood
en de geplooide scort. Lang, lang geleden werden die dus gedragen, maar
ie zijn er bijna weer, want de jonge vrouwen in Volendam, die al duidelijk
merkbaar aangeraakt zijn door de slankheidsmanie, hebben hun lichaamsomvang
al tot een minimum weten te reduceren. De brede rokkenvracht is weg,
omdat de onderrokken (vroeger tot twaalf in getal toe) in de ban zijn
gedaan en de jakjes worden zo krap om 't lijf gemaakt als mogelijk is.
Alleen de uitdagende hul, met de fel naar voren schietende kanten wieken
en de meer dan ooit ópkuivende, rijk bewerkte bol (België), bekroont
de slanke vrouwen en meisjes, uitbundiger dan vroeger, als met een witte
orchidee. De heldere boezelaars met strepen op wit van oranje, blauw
en zwart ritselen en kreuken niet meer vrijuit, als ze rap, op hoge
hakken voorbijstappen, maar zijn onder de heupen vastgesnoerd met de
achterbanden, die vroeger. als witte wimpeltjes, nutteloos, maar heel
sierlijk, er bij neer wapperden. En om, de lange lijn nog meer te accentueren,
duikt waarachtig de geplooide scort weer op in een moderne gedaante.
Vermoedelijk niet zo bestand tegen koken als de ouwerwetse Urker roggebrood-plooierij
(ze laten het doen ergens in een winkel in Amsterdam), maar althans
voldoende om er een poosje netjes mee te zijn. De lange, verticale plooien
van de sluik neervallende, zwarte, door-de-weekse rok zijn hiermee gestyleerd
tot een waaierende keurigheid, die streng en zwierig tegelijk is en
waarachtig, ze lijken er nog slanker mee. Onder ons gezegd, ik heb me
wel eens in gemoede afgevraagd waar de vrouwen, wat ze op een bepaald
moment teveel hebben, in vredesnaam laten. De Empire-gestalten waren
prille rieten, zonder iets van de pregnante lichaamsvormen, die een
betrekkelijk kort daarna heersende mode in contrast ermee, als enig-zaligmakend
proclameerde. Waar haalden ze die dan toch zo gauw vandaan? Goed! Baleinen
en canvas doen wonderen, maar het moet tenslotte toch èrgens blijven.
Met geamuseerd afgrijzen plachten we ons vrolijk te maken over de gruwelen
van de "wespentaille", die eenvoudig geen rekening kon houden met de
inwendige structuur van een menselijk lichaam, wat de vrouwen toch blijkbaar
ook weer niet verhinderd heeft haar aandeel bij te dragen tot instandhouding
van de soort. Volgens menselijke berekening, had de wereld na de heerschappij
van die bedenkelijk gesnoerde lichamen min of meer ontvolkt moeten zijn,
want ook het sterkste vrouwenkarakter ontkomt niet aan de mode. Niets
daarvan echter. Maar laten we ons niet te vroeg verheugen over het verdwijnen
van een modesilhouet, dat zulke ernstige protesten van medische zijde
heeft uitgelokt. De wespentaille is niet dood, ze is alleen tijdelijk
geëclipseerd en heeft inmiddels al eventjes vlug weer een sluwe poging
gedaan om in het licht te stappen, zij het ook in kunstlicht, want bij
de avondtoiletten, de troetelkinderen van Vrouwe Mode, waarop ze haar
fantastische luimen het liefst de vrije loop laat, zijn alweer verscheidene
creaties gesignaleerd, die onomwonden hun sympathie voor die ongetwijfeld
geestige silhouet beleden.
Wat nog te zeggen van de "queue de Paris" uit de 80er jaren en de "droit-devants"
van voor de oorlog van 1914, waarmee de eigenaardigheden van de vrouwelijke
statuur nog eens met nadruk werden geaccentueerd.
Dan wordt de slanke lijn gepredikt en.... weg zijn de volle, welige
lichaamsvormen, die kort tevoren nog onmisbaar werden geacht voor een
welgemaakt vrouwenfiguur. Een jongensachtige, rechte anatomie, met geëffaceerde
vormen en merkwaardig vierkante schouders doemt op van.... ja, waar
vandaan? Pandora mag het weten, maar ze is er en bijna elke vrouw weet
die slankheid voor te goochelen, al is het ook ten koste van fanatiek
gedragen folteringen. Geplooide scort van lang geleden, geplisseerde
rok van Volendam 1941. "Er is niets nieuws onder de zon", zei Salomo.
Voorop in de begrafenisstoet ging de rijksveldwachter in zijn zelfgekozen
functie van den voorloper met de steek en de parapluie bij de Amsterdamse
begrafenissen en bewaarde als een strenge ceremoniemeester de orde,
die niemand van plan was te verstoren. Wat er daarna precies volgde
weet ik niet recht meer, omdat er verderop figuren opdoemden in de stoet,
die mijn aandacht onmiddellijk trokken en vasthielden. In de droge hitte
van die zonnige zomerdag volgden achter de baar wankelende vrouwengestalten,
aan weerszijden begeleid en gesteund door een verwante, die aan haar
bedroefdheid de vrije loop liet, radeloos snikkend onder een zwarte
omhulling, die met wijde plooien van het middel af, romp, armen en hoofd
omhulde en zo ruim viel, dat een hand van binnen uit, de draperie, die
het gezicht van de ongelukkige vrouw eronder aan iedere blik, medelijdend
of nieuwsgierig, onttrok, voor het gelaat kon sluiten tot een nauwe
spleet.
Wat kan het gezicht van iemand, die aan een groot verdriet ten prooi
is, dierbaar zijn. Niet aandoenlijk meen ik, maar wezenlijk ontroerend.
Waarschijnlijk omdat iemand, die zo hulpeloos verloren is in emotie
geen tijd en geen kans krijgt om zich anders voor te doen, dan hij of
zij wezenlijk is, wat ieder van ons altijd doet (min of meer) zo gauw
we onze positieven bij elkaar hebben en het beentje voorzetten, dat
onze ijdelheid voor 't beste houdt. Daarom zijn kleine kinderen en beesten
keker ook zo treffend op de film. Maar aangrijpender dan de begeleidsters
waren de verhulde, schreiende vrouwen. Uit de zwarte plooien van deze
schokkende gestalten drong niet alleen hoorbaar het overbekende wee
van de achtergeblevene door tot de omstanders, maar de ceremonieele
verschijning van die zwarte plooiengedaante getuigde van een leed, groter
dan dat van een enkeling. De bijna magische kracht, die er van deze
macabere "pleurants" uitging, waarbij je de adem even inhield, werkte
als een symbool, sterk en overtuigend van "het leed aan de open groeve."
Een strenge blik van den voorloper, die later nog eens bekrachtigd werd
met een gematigde persoonlijke berisping over mijn oneerbiedig volgen
van de plechtigheid (Ik?!), deed mij er van afzien de ceremonie bij
te wonen bij het open graf. Onder suizelende bomen ging een stem op,
die doordrong tot ver buiten het kerkhof. Op hoge, gespannen toon, bijna
zingend rhetorisch, getuigde een mannenstem van opstandigheid tegen
Gods ondoorgrondelijke Wil, die de berusting moeilijk maakte bij dit
sterfbed. Met pijnlijk extatische uithalen, fanatiek vibrerend, roerde
de spreker de teerste plekken bij dit sterven aan, huilkrampen uitlokkend
bij de weerloze nabestaanden. Van alles uitzeggend wat wij om der wille
van tact en piëteit zorgvuldig vermeden zouden hebben, vertolkte hij
overluid en sterk welk verzet er in de gekwelde harten omging en diende
daarmee toch misschien de zaak het best. Terwijl ik onder die indruk
langzaam afzakte naar huis, hoorde ik nog als een bevestiging op deze
overweging bijna, van verre hoe een goed voorbereide rhetorische opzwaai
van den kennelijk geroutineerden boersen redenaar de uitgehuilde en
gebroken nabestaanden tot ootmoed bracht en tot vrede in den Allerhoogste.
Het moet wel in orde geweest zijn, zó. Anders zou een gebruik zich niet
zo lang kunnen handhaven. Want dat er in deze verhulde, huilende, bijna
magische gestalten een over-oud gebruik belichaamd was, stond voor mij
als een paal boven water.
Na de eigenlijke begrafenisplechtigheid op 't kerkhof en het afleggen
van de treurgewaden, moest er onder presidium van den predikant, nog
een ceremoniele bijeenkomst volgen, die vanouds gewijd was aan een nabetrachting
over de deugden van den ontslapene, werd me verteld. Het leek me een
zware dag voor de rampzalige vrouwen. Eén ding stond vast: wanneer "uithuilen"
opluchting brengt en de gemoedsrust in de hand werkt, dan werd hier
met kennis van zaken gehandeld. Emotioneel moesten de ongelukkige wezens
onder hun zwarte plooienhulsels wel volkomen leeg zijn, na deze plechtigheid.
Misschien waren ze er dan ook wel ineens grotendeels doorheen en klaar
om hun dagelijkse, nimmer aflatende zorgen weer op te nemen, wanneer
ze bekomen zouden zijn van de vermoeienissen op deze aangrijpende dag.
Ik kon mezelf niet duidelijk maken waarom, maar na die gebeurtenis gingen
mijn gedachten telkens weer terug naar een prentje, dat ik vroeger eens
uit een tijdschrift had geknipt en waarop een Amagervrouw was afgebeeld
op de rugzijde en dat details' vertoonde van een rouwdracht, die tot
voor kort, of nog steeds onder die Deense boerinnen in zwang was. Weer
net zo'n geval, dat je graag zou willen omkeren, want de wonderlijke
geschiedenis, die zij op de rug droeg, was fascinerend, maar onbegrijpelijk,
op het prentje althans. Dat rouwgewaad gaf een soort waaiervormige plooienschikking
te zien, die vanaf de taille rug en schouders bedekte. Ook het hoofd
leek donker verhuld, maar stond duidelijk afgetekend op de romp, dus
zou het waarschijnlijk bedekt zijn met een soort muts. Herhaald en aandachtig
bekijken had me geen steek wijzer gemaakt en om mijn ergernis weg te
werken, had ik mezelf bij wijze van excuus verzekerd, toen ik het met
een zucht weer in de map schoof, dat het Deens was, dus dat het me eigenlijk
helemaal niet aanging.
Van die vreemde, boeierde vrouwendracht in de begrafenisstoet wilde
ik meer weten. Dat wonderlijke, zwarte, wijd vallende plooiengewaad
wilde ik zorgvuldig optekenen, met maten, snit en al.
Op een lange opmeterij voorbereid, waar ik dan de avond aan spenderen
wilde, ging ik mijn hospita, die kwam "dekken" bij wijze van praeludium
te lijf met een paar vragen betreffende het bedoelde rouwornaat. Toen
ik evenwel over rouwkappen en rouwmantels begon, keek de lieve ziel
me ietwat onnozel aan en begreep blijkbaar niet eens waar ik het over
had. Maar bij een wat nadere om- en beschrijving was het mijn beurt
om verbluft te zijn.
"0, dat is geen mantel", lichtte de juffrouw me ontpuzzled in, "dat
is een rok."
"Een rok.... ?" deed ik vaag terug, niet bedacht op deze abrupte, prozaische
wending.
,,Ja zeker! Een rok, een gewone beste rok, zoals de vrouwen hier voor
netjes dragen. Die doen we extra aan en gewoon om het middel, met de
verkeerde kant buiten, als we te begraven gaan en dan wordt die omhooggehaald
en over 't hoofd getrokken, zoals u dat zelf gezien hebt. Dan komt vanzelf
de goeie kant weer buiten." Daar zat ik. Volkomen uit de lucht gevallen.
Ongelooflijk, dat die indrukwekkende gedaante met zulke eenvoudige middelen
werd verwekt. Niets op te meten dus. Maar er zat iets aan, dat me niet
met rust liet. Ook niet toen ik de avond spendeerde aan het in tekening
brengen van een paar, door een Volendamse voortvarendheid in 't weggooien,
op Urk zeer schaarse stukjes'antiek costuum. Toen ik bij het laatste
avondlicht wegdommelde in mijn hermetisch gesloten(!) slaapkotje en
nog net een vette kruisspin buiten mijn venster de hik zag krijgen na
zijn 35e mug, zat er nog steeds iets in verband met dat rouwgewaad,
achter in mijn bewustzijn "helpl helpl" te roepen, maar alles doezelde
weg in een klamme, loodzware slaap.
De lichte morgen olijkte naar binnen door een zeegroene sluier op mijn
venstertje en maakte een opzwaai tot een ziedend hete dag, toen ik ineens
één van die rare invallen kreeg, die Joost weet waar vandaan komen.
Ineens zag ik het glashelder voor me. De intrigerende waaier van plooien,
ontspringend in de taille van die Amager vrouw in de rouw, op het beduimelde
plaatje, was een rok, of althans een rok geweest en die decoratieve
plooienstraling op de rug zou onmiddellijk te imiteren zijn met een
"geplooide scort".
Maar dan.... Dan moest er vroeger voor dat rouwornaat hier ook een geplooide
scort in gebruik zijn, ook op Urk. Stel je voor, dat ik daar de bevestiging
op zou vinden....
"Née hoor!".... zei de juffrouw, die het nog wat vroeg vond om alweer
doorgezaagd te worden over die ouwerwetse rommel en die mijnheer wel
vermoeiend begon te vinden. Maar haar innerlijk verzet negerend (wat
natuurlijk heel onverstandig was), probeerde ik een positieve uitspraak
te forceren. Ze volhardde echter bij haar besliste mededeling, dat er
nooit een geplooide scort voor benut was. "Altijd een gewone zwarte'..
De ervaring had me al lang wantrouwig gemaakt, speciaal op dat woord
"altijd" en bovendien was mijn zegsvrouwe op dit gewichtige ogenblik
naar mijn zin te veel met haar aandacht gevangen gehouden door de zorg
voor het pruimweke verse eitje naast mijn ontbijtbord en het theelichtje,
dat walmde, om met deze negatieve stelligheid voldaan te kunnen zijn.
Zo gauw het goed fatsoen zulks gedoogde drong ik dan hier, dan daar
op het vroege morgenuur binnen, waar ik maar een oude vrouw te wonen
wist en stelde listige vragen over de oude manier van te begraven gaan,
en of er toen geplooide scorten aan te pas kwamen, Maar het resultaat
was treurig en toen halverwege de ochtend door vermoeidheid en gebrek
aan enig resultaat mijn zelfvertrouwen een barst kreeg, begon iets innerlijks
mij voorbarige fantasieën te verwijten en hoonde de quasi-ontdekkingen,
tot ik ineens keihard de bevestiging kreeg, waar ik zo vurig op hoopte.
Wel degelijk waren er vroeger bij te begraven gaan geplooide, zwarte
scorten over het hoofd gedragen. Zelf had 't oude mens, dat zo, positief
in haar beweringen was, het niet meer gezien, maar ze wist 't secuur
van haar Bessie. Een onstuimige opwelling de oude zegs~ vrouwe aan het
hart te drukken onderdrukte ik maar nauwelijks en nam haastig, hoewel
dankbaar afscheid, in alle staten van ontdekkers-pleizier. Precies zoals
ik het me gedacht had, want als er een geplooide scort op de bt doelde
manier over het hoofd geslagen werd, moesten de stijve vouwplooien,
die dicht opeen vergaderd zaten in de taille, zich als een waaier uitbreiden
over rug en schouders. Daar hadden we dus het geheim van de Amager rouwdracht
op het prentje, maar daarmee hadden we dan tegelijk een andere, aardige
zekerheid in handen.
Christiaan de Tweede, Koning van Denemarken, Zweden en Noorwegen vond
veel steun bij 't heldere inzicht bij Siegbrit, een groentevrouw van
Hollandse afkomst en moeder van een lieftallige dochter, die in de historie
bekend is gebleven als "Duveke", de geliefde van den strengen monarch.
Zijn huwelijk met de 14-jarige Isabella, dochter van Filips de Schoone
bij Johanna van Arragon, bijgenaamd de Waanzinnige, versterkte de banden
nog met de Nederlanden en het moet mede op aandringen van deze Isabella,
de zuster van den lateren keizer Karel den Vijfde geweest zijn, dat
er omtrent 1520 Hollandse tuiniers uitgenodigd werden, zich metterwoon
in Denemarken te komen vestigen en daar de tuinbouw te komen onderwijzen.
Een groep Waterlanders en enige Urkers gaven aan die oproep gehoor,
togen met pak en zak naar Denemarken en kregen de beschikking over het
eiland Amager bij Kopenhagen, waar zij met allerlei voorrechten werden
begunstigd. 's Konings Amagers, zoals zij met onderscheiding genoemd
werden, brachten in hun gezin de Hollandse leefwijze en gebruiken over
op Deense grond en bleven er zelfs de taal van het moederland zó lang
trouw, dat er een klein mensenleven terug no ggepreekt werd in 't Hollands
op Amager. Hollanders zijn ze zich blijven voelen en ze zijn met innige
verknochtheid de oude gebruiken van het land van herkomst trouw gebleven.
Ook in hun dracht. Direct contact is er practisch niet meer geweest,
dus wat zij met de Hollanders gemeen hebben, moet stammen uit de tijd
van voor de scheiding. M.a.w. in de begrafenis en rouw-traditie met
een scort over het hoofd, vinden we een gebruik in leven van voor hun
vertrek uit Holland, dus van voor 1520. Sedertdien heeft zich deze gewoonte
tot op de huidige dag gehandhaafd en leven er dus op Urk nog kledinggebruiken,
die meer dan vierhonderd jaar oud zijn.