De
dokter en de dominee
door Jelle van Slooten*
| In 1844 breekt op het
eiland Urk een epidemie uit. Een kind, dat in Amsterdam had gelogeerd, werd
besmet met kinderpokken en nam deze ziekte mee naar het eiland. In het begin
leek het geval niet ernstig. Er werden dan ook geen voorzorgsmaatregelen
getroffen. Door deze onvoorzichtigheid waren de gevolgen catastrofaal. De
dood zweefde over 'de bult' (het eiland werd en wordt zo genoemd) en vond
z'n eerste slachtoffer op 4 november 1844. De winter viel vroeg in en langzaam
geraakte het eiland in een hachelijke situatie. Veel vissers raakten besmet en aangezien de geneesheer van Urk P. Musch eveneens erg ziek was, kon er niet veel gedaan worden aan bestrijding van de epidemie. De burgemeester van Urk, Pieter Nentjes, stuurt op 2 1 december een commissie van Urkers over het ijs naar Haarlem, die de nood klaagt bij de gouverneur van de provincie. De gouverneur wijst de jonge dokter Cornelis Heynsius uit Amsterdam aan om naar Urk te gaan en aldaar de ziekte te bestrijden. De reis van de dokter, vergezeld van de commissie, gaat per slee via Kampen over Schokland naar Urk. De slee bereikt op oudejaarsdag 1844, 's morgens om 11 uur, het eiland. De jonge dokter begint met de bestrijding van de ziekte, maar dit valt nogal tegen. Hij krijgt te maken met de vooroordelen die onder de bevolking leven ten aanzien van het inenten. Vooral de afgescheidenen hebben bezwaren hiertegen. Het gelukte Heynsius uiteindelijk toch om Jacob Nentjes en zijn oom, burgemeester Pieter Nentjes, die eveneens met de afgescheidenen sympathiseerde van de noodzaak van inenten te overtuigen. Op 27 januari schreef dokter Heynsius naar huis: 'Veel last heb ik tegen de inenting gehad doordien de afgescheidenen - die hier alleen nagenoeg zijn, en nagenoeg gene andere - er zeer tegen zijn, vooral ook de dominee der afgescheidenen (bedoeld wordt Jacob Nentjes, maar deze was nog geen dominee) en de burgemeester. Beiden zijn echter thans van het geoorloofde overtuigd'. |
|
Oudejaarsdag 1844. Dokter Heynsius wordt handenschuddend ontvangen door burgemeester P. Nentjes en ds. Ter Plegt (hervormd). Schilderij van Valetin Bing. |
| Op 2 februari
volgde: 'Eens ben ik ook bij de afgescheidenen te kerk geweest; en dagelijks heb ik met de Urker heren en dames gesproken over het geloof, waarmede men echter niet veel vordert; zij vinden wel, dat ik goed praten kan, maar houden zich halsstarrig bij hun gekke geloof; er zijn machtig veel domme mensen bijeen; een groot deel gelooft aan toveren en spoken. Eindelijk ben ik toch zover gekomen, dat het vooroordeel tegen de inenting als nagenoeg geheel geweken kan worden beschouwd; eene grooten invloed heb ik gekregen, doordien ik de leraar der afgescheidenen, die zich openlijk van de predikstoel tegen vacine verzet heeft, van zijne verkeerde wijze van zien overtuigd heb; dit is een wonder bij eene afgescheidene; want zij beschouwen ons als mensen die niet zien kunnen, omdat de Heilige Geest onze ogen niet geopend heeft en zeggen daarom altijd maar, al zijn zij overtuigd, dat ze toch anders denken'. Gelukkig nam de pokken-epidemie spoedig af en was er voor de dokter weinig meer te doen. De epidemie kostte 58 slachtoffers. De dokter rekende: zijn telling van 682 afgescheidenen en 489 hervormden leidde ondermeer tot de conclusie, dat bij de eerste groep de belangrijkste oorzaak van de epidemie lag. Dokter Heynsius keerde in april 1845 terug naar Amsterdam. Hij was tijdens de winter zeer bevriend geraakt met het gezin van de hervormde predikant Ter Plegt en deze bleef, zoals hij dat zelf omschreef 'op zijn Patmos achter' eenzamer dan ooit. |
|
De
afscheiding |
beloofde spoedig terug te komen. Een deputatie van de Urker afgescheidenen bezocht vervolgens op dinsdag 12 juli 1836 ds. De Cock, die op dat moment in Genemuiden verbleef, met het verzoek om op Urk de ambten te komen instellen. De predikant stemde hiermee in en stapte, vergezeld van 'luitenant' W. W. Smitt (de latere kruisdominee), aan boord van de Urker schuit. Te middernacht kwam men aan op Urk en de volgende morgen werd in een woning een kerkdienst gehouden. De preek van ds. De Cock ging over Hebr. 11 : 23-26. Na de preek verzocht oefenaar Smitt diegenen die zich bij een te vormen | gemeente zouden willen aansluiten, te willen blijven. 31 belangstellenden ondertekenden daarop een stuk gericht aan 'het bestuur van het Hervormde Kerkgenootschap te Urk', waarin zij verklaarden zich af te scheiden van het genootschap 'wensende de hals te buigen onder het juk Jesu Christi'. Daarna werden de ambten ingesteld en ambtsdragers bevestigd. Volgens overlevering had een der tot diaken gekozen personen te kennen gegeven, dat hij 'nog geen lid' was. Ds. De Cock moet daarop geantwoord hebben: 'Dan maak ik het je'! In dezelfde dienst werden drie kinderen gedoopt. In een | middagdienst werd door Smitt een 'oefening' gehouden en 's avonds bediende ds. De Cock het Heilig Avondmaal. In de vroege morgen van 14 juli werden ds. De Cock en Smitt naar Genemuiden teruggebracht, terwijl de kerkeraad de verklaring van afscheiding aan ds. Ter Plegt overhandigde. Al spoedig zag men uit naar een voorganger, die men vond in de oefenaar Pier Schaap te Workum. Hij kwam op proefpreken en voldeed ten zeerste, waarna hij per 1 september 1836 werd benoemd op een traktement van f 6,- per week. |
|
Dé
dominee van Urk
|
![]() Ds. Jacob Nentjes (1818-1873) van 1846 tot 1859 en van 1862 tot 1873 predikant van de afgescheidenen op zijn geboortegrond Urk. Huis
waar de eerste afgescheidenen bijeen kwamen. |
* Dit artikel verscheen eerder
in deel 7 van: Anderhalve eeuw,
gereformeerden in stad en land, Overijssel, Kok- Kampen, 1985, p.40-41.