Rijmelarij
![]() |
Ik
ben een Zeemanskind De
zee dat is mijn tuin, Maar
als mijn vader dan |
![]() |
1936 De Domine van Urk Die zou op Schokland preeken Door 't ruischen van de zee Was hij zijn preek vergeten 1946 De domine van Urk Die zou op Schokland preeken Door 't ruischen van het graan Was hem zijn preek ontgaan (tekening Jo Spier) |
| Op het graf van Ds. J. Nentjes: | Hier
rust hij, die een reeks Van zes en twintig jaren Gods kerke heeft gediend, Door 't woord ons te verklaren. Hij was een brandend licht, 't Welk in den dienst verteerde, Totdat hij in den schoot Der aarde wederkeerde. Hij rust naar 's Heeren woord In 't graf als de slaapstede, d'Oprechten toebereid. Geniet den vollen vrede Als 't loon hem toegezegd, Met al de hemelingen, Die eeuwig voor den troon Het driemaal heilig zingen. |
| Op het graf van een burgemeester: | Begaafd
met kennis, deugd en vlijt Tot hulp van andren steeds bereid Heeft hij zijn beste kracht gewijd Aan 't heil van Urks gemeente. Herinner dit het nageslacht Dat onpartijdig hem steeds acht Die hier getrouw zijn plicht betracht, O zwijgend grafgesteente. |
| Een treurende echtgenoot schrijft op het graf van z'n vrouw: | Hier
ligt een dierbre vrouw, een pronkjuweel der vrouwen; godzaligheid en deugd was in haar te beschouwen. |
| Op dat van een andere vrouw en moeder: | Hier
rust in dhoop van 't eeuwig leven Het stoffelijk deel van Jannetje Woord. Zij was voor man en kindren een zegen, Een zorgende moeder zoo het behoort. Met zorgen was haar tijdelijk leven Van weelde wist zij gansch niet af. Met pijn en smart was het omweven, Zelfs van haar jonge dagen af. Zoo zeggen zij die haar hier kenden Hier rust een vrouw vol eer en deugd En is uit gena uit 's levens (el)lenden Tot troost in juichende hemelvreugd. |
| Op het graf van het echtpaar Hakvoort (de man was penningmeester van het Weduwenfonds): | In
onbevlektheid, stipt en trouw Was hij voor meen'ge weduwvrouw In droeven druk tot steun en troost Verzorger van haar hulploos kroost. In liefde rijk voor man en kroost Was bovendien haar een'ge troost 't Geloof in Hem, die leed en stierf En ook voor haar gena verwierf. |
| Scheepsrijmen | |
| Op een Urker schuit: | Die
zich tot vissen voegt En doet zijn werk met vlijt, Moet wezen vergenoegd Al is het een slechte tijd. En dan met nederigheid Ook zijn beroep betrachten, En dan met lijdzaamheid De hulp van God verwachten. |
| Vissen
is mijn vak En varen is mijn leven. |
|
| Ghy al,
die swemd, in 's weereld stroomen. 't Groot Visnet kund ghy niet ontkomen. |
|
| Gelijk
een Visnet aan de Strand, Soo, secht de Wysheid, sal 't ook weesen. Wanneer des grooten Vissers hand, Den Vangst der Mensen uit sal leesen; Het goede in het heemels Vat, En 't quaade in een leelyk Gat. |
|
![]() |
Op
een scheepsluik: Ik vaar gedurig heen en weer Met het oog op God, wat wil ik meer en blijf daar altijd op vertrouwen Meer dan op anker, zeil en touwen God is de steen en anders geen Daar ik op bouw en vast vertrouw O, goede God en Hemel Koning, Bewaar ons in dee's kleine woning Schenk ons kracht, zegen en gewin, Gezondheid en vrede naar ons zin |
| UK 1, Fokke Molenaar: | Het huis
dat ik bewoon, dat is van hout gebouwd, Het is opgetuigd met mast en blok en terig touw, De zee is mij een tuin, daar ga ik mij in vermaken, De sterren, zon en maan, zijn mij ten licht en baken, O Gever van de vissen, Zendt Gij ze in mijn net, dan kan de vangst niet missen. |
| UK 16: | Deze
schuit die heb ik laten maken, De een mag hem prijzen, de ander laken. En of men hem prijst en of men hem laakt, De schuit is naar mijn zin gemaakt. (En die het niet is al naar zijn zin, Die blaast hier maar van achteren in.) (Bij de laatste regels was een mannetje getekend dat op zijn achterste wees) |
| UK 187: | Rondom
lelijk is mijn naam Voor het zeilen onbekwaam, Maar als een ander begint te reven en te knopen Begint dit schip het hardst te lopen. |
| Op een schuit: | Door
des Heren zegen Heb ik deze schuit gekregen. Die hem prijst of die hem laakt, Het schip is naar mijn zin gemaakt. |
| Op de schuit van Pieter de Vries: | Mijn
schuitjen is goed van houten Ik heb het laten verbreeuwen en verbouten Het is goed van vlak, hoofdschoten en deken, En die het niet geloven wil Moet er met Jan Oost maar over spreken. |
| Op de schuit van Sjoerd: | Dit schip
is oud, stom en beroerd Het is de schuit van ouwe Sjoerd. |
| Op een schuit: | Een schip
van ijzer en van hout, Gebouwd voor zee en stromen. Om door Jordaan en Oceaan In Jerusalem te komen. |
| Op het schip van Klaas van Leendert: | 0 Heer,
ik heb door Uwen zegen Nu deze nieuwe schuit gekregen. Leer mij nu dankbaar, biddend strijden, Opdat ik op geen klip mag zeilen, Bewaar mij voor hoogmoedigheid En leer mij ware nederigheid. |
| Op een schuit: | Door
een bijzonder ongeluk Hetwelk mij was beschoren Kreeg ik mijn hete schuit aan stuk, Daarbij het gezicht verloren. Een wonder noem ik het gewis Dat God mij het leven spaarde, Zijn hand, Zijn onweerstaanbre hand Was het die mij bewaarde. |
| Op het schip van Albert Ras: | Door
mij is niet de eerste vlet, Maar wel het eerste ansjovisnet In zee gezet; En zo dit niet en was; Mijn naam is Albert Ras. |
| 0p een schuit: | Ik
wil het voor een ieder weten, Mijn schip was oud, maar niet versleten, Ik heb het daarom maar verkocht, Het heeft maar weinig opgebrocht. |
| Op het schip van Pieter van Bouke Willem: | Ik ben
schipper van Urk Ik heb een ziel van kurk, Dat als ik kom te blijven Ik op het water kan drijven. |
| Op de schuit van Lub Kramer: | Dat ik
nu schipper bin, Dat had ik niet gedacht, Het was mijn vrouw haar zin, Die had het in haar macht. Des daags gaf zij mij raad, Des nachts riep zij mij wakker, En hare rechte naam Is Derkien van Geert Bakker. |
| Op de UK 59 van Meindert de Vries: | Dit
wordt nu alom verteld, Dat ik, als schipper aangesteld, De zee thans moet bevaren: Het vissen is mijn ambt en brood, 0 God, moogt Gij ons in den nood Voor alle ramp bewaren. |
| Op een schuit: | Ik vaar
ter Noord- en Zuiderzee Om vis te vangen en daarmee Vaar ik naar dorp en steden, Als ik brood voor vrouw en kinderen win En namaals ga ten hemel in Dan ben ik wel tevreden. |
| Op het schip van Teunis van Jannetjen: | Ik
werp het net naar mijn verstand Om goede vangst te maken, En ik wacht de zegen van Gods hand Die het alles wel zal maken Wie daar gedurig op vertrouwt Heeft zeker op geen zand gebouwd. |
| Op de UK 25 en 44: | Ik bevaar
de Noord- en Zuiderzee Om vis te vangen en daarmee Naar stad of dorp te varen. Als God mijn werk met zegen kroont En in gevaren hulp betoont Dan heb ik geen bezwaren. |
| Op de schuit van Andries de Gooier: | Het
vissen kan mij niet meer geven Genoegzaam brood om van te leven, Toch wil ik mijn fatsoen bewaren En ga dus nu maar groenten varen. |
| UK 19 J. Ras: | Toen
Jezus op de aarde kwam Om met de mensen te verkeren, Toen koos Hij juist de visserman, Die hield Hij 't meest in ere. Maar nu Hij is van hier gegaan En zit op 's hemels troon, Nu is het tot des vissersmans Veel haat en schimp en hoon. |
| Op de UK 80: | Benijd
geen vissermans leven, Hij gooit altijd beneden zeven, 't Is een op duizend die het rooit, Die met twee stenen twaalf gooit, En wat het voor de rest beduidt; Houd bij de lager wal vooruit. |
Kent
u ook oude rijmpjes die op Urk of op de Urker schepen gebruikt werden?
Mail het aan ons!