Urk
door A.J. van der Aa

Urk uit: aardrijkskundig woordenboek der nederlanden, bijeengebracht door A.J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. dertiende en laatste deel. Z en aanhangsel. Te Gorichem, bij Jacobus Noorduyn. 1839 (deel Urk 1848) 1851.

Urk, eil. in de Zuiderzee, thans eene gem. uitmakende en tot de prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Enkhuizen (1k. d., 16m.k., 5 s.d.) behorende.

Het ligt 2 u. W. van Schokland, tusschen dit eil. en de kusten van Noord-Holland, waarvan het oostwaarts 4 5 uur verwijderd is, terwijl het even zoo ver van de Overijsselsche kust ligt; op 52' 39E 46" N.B., 23E 15' 30" O.L.

Het strekt zich van het noordoosten naar het zuidwesten uit en wordt in zijnen omtrek op een uur gaans begroot, heeft in zijne grootste lengte ruim 1695 ell. en in zijne grootste breedte ruim 753 ell. Volgens het kadaster beslaat het eene oppervlakte van 80 bund. 5 v.r. 63 v. ell., waaronder 74 bund. 36 v.r. 44 v. ell. belastbaar land. Naar men meent zoude het voorheen veel grooter dan tegenwoordig, ja zelfs aan Emmeloord vast geweest zijn; en vrij diep in zee, naar den kant van Emmeloord zou weleer een kerk gestaan hebben, 4 ell. van het vaste strand, en de plaats hier omtrent wordt nog door de zeelieden het Urkerkerkhof geheten. Dit kerkhof ligt ruim 860 ell. in zee; hemelsbreedte gerekend. Nog zou er eene andere kerk ten Zuiden van het eiland en ten Oosten van de diepte, het Val-van-Urk genoemd, gestaan hebben. De vuurbaak van Urk, die in het jaar 1649 nog 35 ell. van den zeekant stond, werd in het jaar 1661, door het invreten van het strand, niet meer dan 30 voeten (9.41 ell.) van de zee bevonden, waarom, in het jaar 1662, deze baak met steenen beschanst werd. Deze vuurbaak werd hier voor de eerstemaal in het jaar 1617 opgerigt; terwijl de eerste vuring daarop plaats had den 1 September van dat jaar; naderhand is zij dieper landwaarst in gezet. Thans brandt daarop een licht, dat den 15 November 1837 voor het eerst ontstoken is, bestaande in een catadioptriek licht van de vierde grootte, dat om de twee en een halve minuut afgewisseld wordt door eene sterke korte schittering, zowel voorafgegaan als gevolgd door eene korte verduistering, die evenwel op eene geringen afstand niet volkomen is, maar alsdan nog een flauw licht van zich geeft, terwijl dan het licht voor het overige, tusschen de verduisteringen, omtrent twee minuten zigtbaar is. Dit licht, hetwelk 21.30 ell. boven den waterspiegel van gewoon hoog water verheven staat, kan gezien worden op eenen afstand van twee drie zeemijlen, meer of min naar gelang der luchtgesteldheid, in alle rigtingen, met uitzondering van die, waar de kerktoren en het dak der kerk op Urk, het licht aan de oostnoordoostzijde onderscheppen.

Men telt er ruim 200 h., bewoond door ruim 210 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 1150 inw., die uitsluitend in de visscherij, op de Noord- en Zuiderzee, hun bestaan vinden in dit bedrijf met een getal van 110 schuiten uitoefenen, die in eene zeer goede haven liggen, welke zeer geschikt is voor de binnenlandsche vaart. Van deze haven, welke in het jaar 1818 is aanbesteed, hebben in het jaar 564 vaartuigen, als noodhaven gebruik gemaakt. De Urkers brengen hunnen visch voornamelijk te Amsterdam, te Enkhuizen en in Overijssel ter markt. De vrouwen nemen de huishouding en de opvoeding der kinderen waar, en men vond, in het begin dezer eeuw, onder haar vele, die nimmer of niet meer dan eens aan het vaste land geweest waren, en dien ten gevolge ook zelden iemand, behalve de bewoners van dit eilandje, gezien hadden. Thans is dit evenwel minder het geval. De mannen zijn welgemaakt, sterk en goed gespierd, hebben eenen ondernemende geest en zijn stoute zeelieden, die zich somwijlen des zomers, wanneer de visscherij geen genoegzaam voordeel oplevert, met hunnen kleine vaartuigen naar de Oostzee, langs de kusten van Denemarken begeven, om naar ankers te visschen, die aldaar door de vloot gekapt werden, en daartoe soms twee maanden of langer in zee blijven.

De vrouwen, op dit eiland geboren en opgevoed, zijn welgemaakt en gezond, blank en blozend van kleur. Hare kleederdragt is mede eenigzins onderscheiden van die der vrouwen op het vaste land; terwijl de korte mouwen, de lijfjes en overhemdjes, hier in gebruik, waarmede zij zich opschikken, haar bevallig voorkomen in geenen deele verminderen. Alhoewel deze lieden het grootste gedeelte huns levens op hun eiland slijten of in het midden der baren doorbrengen, zijn zij vrij beschaafd, weetgierig en lezen veel; vooral is het lezen der Vaderlandsche geschiedenis bij hen een geliefkoosde bezigheid. Voorts heerscht onder hen een prijzenswaardige godsdienstige geest.

Afgezonderd van de wereld en hare vermakelijkheden, ja zelfs voor vele ontoegankelijk levende, heerscht er eene groote vreugde onder de stille en vreedzame eilandbewoners, wanneer vreemdelingen hen in hunne gastvrije woningen komen bezoeken. Zoo zien zij met verlangen den tijd tegemoet, wanneer het gras gemaaid en gehooid moet worden. De grasmaaijers worden vrachtvrij afgehaald aan de kust van Overijssel, en bij hunnen aankomst door eene groote menigte ingeleid. Zo lang zij vertoeven, hetwelk meestal omstreeks acht dagen duurt, wordt er van des morgens vroeg tot des avonds laat feest gehouden; ieder beijvert zich om toch deze menschen van eten en drinken te voorzien, opdat zij niet over eenig gebrek behoeven te klagen; een ruim berekend daggeld (1 guld. 25 cents) is daarenboven het loon voor hunnen arbeid. Het zal alzoo niemand verwonderen, dat het grasmaaijen op Urk eene begeerlijke zaak is voor deze bovenlanders, gelijk men hen op Urk zelf noemt, en dat zij er zoo op gesteld zijn, dat het zegt, om die reis mede te mogen doen, bij erfenis van den vader op den zoon overgaat.

De grond is er steenachtig en laat met reden vermoeden, dat hij gevormd is uit granietbrokken, wier tusschenruimte ingevuld zijn met aarde. Overal is het strand bezaaid met groote en kleine steenen, waarvan sommige met goud- en zilverdeeltjes bezwangerd, echter niet rijk genoeg zijn, om ze daaruit te halen. De meesten der steenen zijn donkerkleurige vuursteenen, wier buitenste zijden door de lucht reeds verkalkt zijn en eene aanmerkelijke oudheid aanduiden.

Het eiland bestaat ten deele uit hooiland, met roodachtig zand en op sommige plaatsen uit eenigen leemgrond. Het westelijke gedeelte des eilands is hoog en verheft zich ongeveer 8 ell. boven de oppervlakte der zee; dit is weiland, hetwelk als eene gemeente- of gemeene weide gebruikt wordt, tot wier beweiding ieder ingeboren van Urk regt heeft. Ieder huisgezin mag echter niet meer dan twee beesten weiden en uit het getal huisgezinnen, blijkt, dat ieder ingezetene, op verre na zijn aantal niet in de weide brengt, dewijl er doorgaans maar een zestigtal koeijen en een viertal paarden op het eiland gevonden worden, die er hunnen leeftogt kunnen vinden. Het grootste gedeelte van Urk, aan de oostzijde is hooiland, hetwelk van het weiland met eene sloot wordt afgescheiden. Van dit hooiland bezit de eene inwoner minder de ander meer; het wordt verkocht of verhuurd, of ook het hooi bij verkoop aan malkanderen overgedaan. Ieders gedeelte is door paaltjes onderscheiden. Dit hooiland levert echter niet genoeg op, om s winters de koeijen te voederen, waarom de ingezetenen genoodzaakt zijn nog een gedeelte hooi van de vaste kust te halen. Voorheen was er aan den zuidwestkant, nog een stuk lands, met een huis, de Heeren-kamp genaamd, dat afzonderlijk als het land van den Heer aangemerkt en verhuurd werd, doch dit onderscheid is niet meer bekend.

Het eiland is van de zuidwestzijde van den vuurtoren tot aan het Noordoostpunt bij de Staart, over 2100 ellen, tegen het afnemen der stranden, met palen en hoofdjes voorzien. Ook is over 700 ellen rondom den vuurtoren en verder eene steenglooijing buiten tegen het paalwerk aangebragt, en aan de zuidzijde, van de haven af, over 1300 ellen met palen en hoofdjes, van welke 600 ellen met eene steenglooijing, dus 700 ellen hoofdjes, als dat aan de noordwestzijde, voorzien. Het was wenschelijk, dat het paalwerk van de zuidzijde aan dat van de Nooroostpunt tot bewaring van het eiland werd aangesloten. Het westelijkste gedeelte is hoog zand, doch het oostelijkste met een dijkje beschermd, dat echter s winters overloopt, latende het laagste gedeelte van het eiland met poelen bezet, die altijd met water staan; doch daarvan is sedert het jaar 1842 een groot gedeelte in vruchtbaar land herschapen.

Dewijl er op Urk vele zware steenen gevonden worden, heeft men de proef genomen, om hiermede de stranden gelijk elders de dijken, te bevestigen; doch men heeft de afkeering van het water door paalwerk van grooter nut bevonden dan door steenen, die door den zwaren slag van water veelal over hoop geworpen worden. Op het eiland zijn verscheidene waterputten, ter diepte van vier of vijf vademen, ten dienste van menschen en vee, welke echter brak water opleveren. De geringe bedijking, waarvan wij gemeld hebben, is onder geen heemraadschap. De huizen liggen op het hooge land.

De Herv., die er 500 in getal zijn, onder welke 140 150 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Hoorn, ring van Enkhuizen, behoort. De eerste die in deze gem. het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest Petrus Salebien, die in het jaar 1628 herwaarts kwam en in het jaar 1637 overleed. Het beroep geschiedt door den kerkeraad. De kerk is een net gebouw, zonder orgel, doch met een bolvormig torentje, waarboven een spil met een kruis uitsteekt, op hetwelk een vergulden haan staat.

De Afgescheidenen, die er ruim 600 in getal zijn, onder welke 150 Ledematen, maken mede eene gem. uit, welke den 15 Julij 1836 door Hendrik de Cock, voormalig Hervormd Predikant te Ulrum, bevestigd, doch om bijzondere reden nog niet erkend is. De eerste, die als voorganger bij deze gemeente geroepen is, was P. Schaap, die den 14 Augustus 1836 van Workum te Urk kwam, en later geexamineerd zijnde, den 4 Junij 1841 bij de gemeente te Urk bevestigd werd, waar hij den 19 April 1843 overleed.

De dorpsschool wordt gemiddeld door een getal van 250 leerlingen bezocht.

Urk was in de tiende eeuw reeds bekend; want Keizer Otto de Groote zou het eiland in het jaar 968, met Nardigerland of Gooiland en Eemland, aan Wichman, Graaf van Zutphen, geschonken hebben. van hem zou het aan de abdij van Elten gekomen zijn, waarom nog in de vorige eeuw jaarlijks eenig regt van Urk betaald werd. Men leest ook van Urk in eenen anderen brief van Otto III, van 996. Ook vindt men het in eenen brief van het jaar 1134, gegeven door Lotharius II.

In 991 werden deze aan zee gelegen landen onverhoeds aangetast door eene sterke bende zeeroovers, die ook eene landing deden in het graafschap Staveren, dat toen aan het land van Urk grensde en alleen door den noordelijken arm des IJssels daarvan was afgescheiden.

In 1170 werden door eenen allergeweldigsten storm en zeevloed, de monden van het Vlie opengescheurd een gedeelte van het graafschap Staveren, ten Noorden van Urk, alsmede de moerassige streken ten zuiden van Urk, werden door de zee verslonden. Van het land van Urk en Emelwaard of Emmeloord, bleef echter nog een groot gedeelte in wezen.

In 1187 was het land van de Kuinre nog een afzonderlijk graafschap, waaronder de overgebleven gedeelten van het land van Ens en Urk behoorden. het stond onder zekeren graaf Hendrik, de Kraanvogel genoemd, die, uit zijn kasteel, aan de Zuiderzee gelegen, gedurige invallen en strooperijen deed in Friesland.

De kerkelijke opkomst van Urk behoorde onder t St. Odulfus-klooster te Stavoren, maar van de Landen van Urk waren de burgzaten van Stavoren eigenaars, welke deze landen in 1309 op St. Martensdag opdroegen aan den Abt Aemilius, als het hoofd van St. Odulfus-klooster.

In 1362 zien we dat Zweder van Vorst, destijds onophoudelijk de vaart op de Zuiderzee verontrustte door zijne roofschepen. Als Heer van Urk en Emelwarden vond hij hiertoe overvloedige gelegenheid. Hij hield deze eilanden van den Graaf van Holland ter leen. De bewoners waren niet alleen visschers maar ook boeren, welke op hunne saten of landhoeven een goed getal rundvee konden onderhouden, en hunnen boter naar Kampen ter markt bragten of daarmee de thans of pacht aldaar betaalden.

In het archief van Elburg wordt een brief gevonden van den Heer van Urk en Emmeloord, van 3 Februarij1479, behelzende de last aan die van Elburg om de inwoners van die eilanden ongemoeid en onbelast te laten, alsmede een brief van s Hertogs raad te Arnhem van 30 Januarij 1543, waarin gezegd wordt dat de hauptman Mansse met etlieke kneghte van Harderwiek eene aanslag op Emelort jnd Orck hebben, in meineghe dat vrsz. kerspell van Orck in dencktuaal te brengen enz.

Eertijds zou het aan het graafschap Kuinre, onder Overijssel behoord hebben; doch wij vinden geen bescheid hoe het aan Holland geraakt is. In den jare 1588, is beweerd, dat Urk altijd een leen van Holland geweest is, en aldus onder Overijssel niet behoorde. Onder de Ambachtsheeren of Heeren vinden wij eenen Dirk van Zwieten, in den jare 1397, gemeld, op welken tijd Graaf Albert van Beijeren, eene strekte deed aanleggen op het eiland Urk, om de zeeroverijen der Friezen op de Zuiderzee daardoor te beletten, terwijl de Friezen en Hollanders malkander gedurig aanvielen, waardoor de heerlijkheid Urk telkens gevaar liep van geplunderd te worden. Urk heeft ook behoord aan het geslacht van Zoudenbalchen, van hetwelk het aan dat van van de Werve gekomen is, terwijl het door Johan van de Werve, in den jare 1660, verkocht is aan Burgemeesteren der stad Amsterdam. In laatst gemelde betrekking heeft Burgemeester Nicolaas Witsen zich de belangen van dit eiland bijzonder aangetrokken.

In het jaar 1637 telde men er slechts 300 zielen, van welke er 149 er door eene besmettelijke ziekte werden weggerukt.

In 1672 hadden eenig kapers van den Bisschop van Munster het voornemen Urk te plunderen, doch in plaats van buit te maken, werden zij zelven ten buit, alzoo de bewoners hun gevangen namen en naar Enkhuizen overbragten.

Tijdens de landing der Engelsen in Noord-Holland, in het jaar 1799, terwijl zij zich op de Zuiderzee onthielden, kwamen twaalf gewapende burgers uit Zwolle op het denkbeeld, dat er hier of daar wel eenigen buit te halen zoude zijn. Tot dat einde begaven zij zich, onder kommando van den Artillerie Kapitein Ellokman, te Genemuiden aan boord van eene visscherspink, en zeilden daarmede naar het eil. Urk, alwaar zij twee der uit Friesland geroofde of gevlugte schepen vonden. Slechts eenige schoten uit hunnen buksen gedaan hebbende, ontnamen zij die bodems aan den vijand, en keerden weldra in triumf eerst naar Genemuiden en vervolgens naar Zwolle terug, meer verheugd over den gelukkigen uitslag der onderneming tot afbreuk des vijand, dan wel over het voordeel van den behaalden buit, bestaande in eene hoeveelheid boter en eenige zilveren en gouden kleinodin, dewijl zij zich bereid en genegen toonden, om alles aan de regte eigenaars terug te geven.

Het eiland Urk, reeds door de stormen en vloeden van 1824 geteisterd, leed ook door den stormvloed van 4 Februarij 1825 aan zijne haven, gebouwen, landerijen en waterkeringen. Men verloor daarbij in de haven vijf vaartuigen, binnen deze gem. te huis behorende. Deze schade was voor de bewoners van dit eiland zeer aanmerkelijk, die door de lage prijzen der haring, welker vangst in de Zuiderzee des winters hun eenigste middel van bestaan uitmaakt, buitendien reeds veel nadeel ondergaan hadden.

Door den orkaan van 29 November 1836 werden op Urk drie huizen geheel omver geworpen en een aantal andere zwaar beschadigd. Ook werden daardoor een en twintig van de voornaamste visschersvaartuigen, bemand met meer dan honderd personen, in zoodanige reddeloozen staat gebrast, dat tien daarvan genoodzaakt werden zich op de Overijsselsche kust op strand te zetten, terwijl de anderen, door het verlies van masten, zeilen, ankers en touwen, nagenoeg onbruikbaar zijn geworden.